Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-10
ECLI:NL:RBROT:2025:8404
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,092 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10/085228-25
Parketnummer vordering TUL: 10/165249-24
Datum uitspraak: 10 juli 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1999,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] , locatie [detentielocatie] ,
raadsman mr. W.B.O. van Soest, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. C.G.T. van de Weerd heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest;
tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/165249-24.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak (feit 1)
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft de bewezenverklaring gevorderd van het onder 1 ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verdovende middelen zijn aangetroffen in een verborgen ruimte in het voertuig, waarin de verdachte reed. Hij was de enige inzittende van het voertuig.
4.1.2.
Beoordeling
Op 17 maart 2025 is de verdachte staande gehouden als bestuurder en enige inzittende van een voertuig. Het voertuig waarin de verdachte reed, was voorzien van een verborgen ruimte, waarin twee blokken cocaïne van in totaal bijna twee kilo zijn aangetroffen. Deze verborgen ruimte is door een verbalisant die gespecialiseerd is in het onderkennen en aantreffen van verborgen ruimtes in voertuigen, vanaf de buitenkant waargenomen. De verdachte is geen eigenaar van het voertuig. De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist van de verborgen ruimte met daarin de verdovende middelen.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in het voertuig. De goederen zijn aangetroffen in een verborgen ruimte onder de achterbank. De buitenzijde van de verpakkingen van de blokken cocaïne is bemonsterd op DNA en daarop is geen DNA van de verdachte aangetroffen. Het enkele feit dat de verdovende middelen in het voertuig zijn aangetroffen, is onvoldoende om de wetenschap en ook de beschikkingsmacht van de verdachte vast te stellen. De verdachte was immers niet de eigenaar van het voertuig, en de verborgen ruimte was alleen met specialistische kennis van de buitenkant waar te nemen.
Hoewel het opmerkelijk is dat de verdovende middelen, die een aanzienlijke straatwaarde vertegenwoordigen, zonder de wetenschap van de verdachte in het voertuig lagen, kan bij deze stand van zaken niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de aangetroffen verdovende middelen. De verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.
4.1.3.
Conclusie
Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4.2.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering (feit 2)
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit feit zal daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.1.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
2hijin de periode van 17 maart 2025 tot en met 19 maart 2025, teRotterdam, tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten een grote hoeveelheid luxe goederen,verzorgingsproducten en cosmetische producten, (met een totaalwaarde van ongeveer 36.000,00 euro), voorhanden heeft gehad,terwijl hij wist dat deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk,onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf of uit enig eigen misdrijf.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
medeplegen van witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan het witwassen van diverse luxegoederen, verzorgingsproducten en cosmetische producten. In de woning van de verdachte is een grote hoeveelheid van dit soort producten aangetroffen, ter waarde van bijna € 36.000,00.
Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, hetgeen een ontwrichtende uitwerking heeft op de maatschappij. De verdachte heeft daar geen oog voor gehad, maar was slechts uit op eigen (financieel) voordeel.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 mei 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages
Reclassering Nederland heeft ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 maart 2025. Dit rapport houdt het volgende in. De verdachte lijkt zijn leven op praktisch vlak redelijk op orde te hebben. Hij heeft een zelfstandige huurwoning, waarbij hij ambulante begeleiding ontvangt van Pameijer. Daarnaast zou de verdachte bijna klaar zijn met een MBO-4 ICT opleiding, maar is hij momenteel op zoek naar een nieuwe stageplek. Verder zou de verdachte in de afrondende fase zijn van zijn bewindvoeringstraject. Zijn schulden zouden bijna allemaal afbetaald zijn. De verdachte ontvangt studiefinanciering en een uitkering. Er worden geen aanwijzingen gezien voor middelenproblematiek en/of acute psychiatrie. Tijdens een eerder toezicht heeft de verdachte vier jaar onder behandeling gestaan van Fivoor. Dit traject is positief afgerond.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding, gelet op de ernst van het feit en het strafblad van de verdachte.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.
8In beslag genomen voorwerpen
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de personenauto primair verbeurd te verklaren, subsidiair – bij een vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde – te onttrekken aan het verkeer in verband met de aangebrachte verborgen ruimte. Verder heeft de officier van justitie gevorderd de twee telefoontoestellen en de geldtelmachine verbeurd te verklaren en de twee horloges te onttrekken aan het verkeer.
8.2.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft verzocht de twee telefoontoestellen terug te geven aan de verdachte, nu uit het dossier niet blijkt dat met behulp daarvan een strafbaar feit is begaan.
8.3.
Beoordeling
De in beslag genomen geldtelmachine zal worden verbeurd verklaard. Het voorwerp is tot het begaan van het bewezen misdrijf bestemd.
De personenauto van het merk Honda en met het kenteken [kentekennummer] zal worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemeen belang.
De twee horloges zullen eveneens worden onttrokken aan het verkeer. Uit het dossier blijkt dat het gaat om imitaties dan wel vervalste Rolex horloges. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemeen belang.
Ten aanzien van de twee in beslag genomen telefoontoestellen (beide van het merk Apple) zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.
9Vordering tenuitvoerlegging
9.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 26 augustus 2024 van de politierechter in deze rechtbank in de zaak met parketnummer 10/165249-24, is de verdachte veroordeeld ter zake van het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en het zich de toegang verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen door middel van inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Daarbij is opgelegd voor zover van belang een gevangenisstraf van 2 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 10 september 2024.
9.2.
Standpunt verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
9.3.
Beoordeling
Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
11Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Dictum
- verklaart onttrokken aan het verkeer: de personenauto van het merk Honda met het kenteken [kentekennummer] en de twee horloges;
- gelast de teruggave aan verdachte van: de twee telefoontoestellen (van het merk Apple);
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de opgelegde gevangenisstraf;
gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 26 augustus 2024 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. J.L. Luiten en T.J. Roest Crollius, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.F. Meekhof, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1hijop of omstreeks 17 maart 2025 te Rotterdam en/of Dordrecht, althans in Nederlandopzettelijkheeft vervoerd,in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,ongeveer 2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van diewet( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )
2hijin of omstreeks de periode van 17 maart 2025 tot en met 19 maart 2025, teRotterdam, althans Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een of meer voorwerp(en), te weten een grote hoeveelheid luxe goederen,verzorgingsproducten en/of cosmetische producten, althans een of meerderegoed(eren) (met een totaalwaarde van ongeveer 36.000,00 euro),voorhanden heeft gehad en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden,dat dit/deze goeder(en), althans voorwerp(en)geheel of gedeeltelijk,onmiddellijk of middellijk,afkomstig was/waren uit enig misdrijf of uit enig eigen misdrijf;( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond bWetboek van Strafrecht )