Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-06-25
ECLI:NL:RBROT:2025:7686
Civiel recht
Kort geding
1,818 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/693918 / KG ZA 25-103
Vonnis in kort geding van 25 juni 2025
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: Egmond aan Zee,
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
advocaat mr. W. Boeters te Rotterdam,
tegen
STICHTING BOOR,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.G. Hofman te Heemstede.
Partijen worden hierna [eiser] en Stichting BOOR genoemd.
1Het verzoek tot aanvulling
1.1.
Bij brief van 16 juni 2025 heeft mr. Hofman namens Stichting BOOR verzocht om aanvulling van het op 5 juni 2025 in deze zaak gewezen vonnis. Stichting BOOR legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. Stichting BOOR heeft als tegenvordering 5. een omgevingsverbod voor [eiser] gevorderd tot 1 augustus 2026. Als tegenvordering 6. heeft Stichting BOOR gevorderd om aan het omgevingsverbod een dwangsom te verbinden. Het omgevingsverbod is voor een straal van 50 meter toegewezen tot 1 januari 2026, maar er is geen rechtsoverweging gewijd aan het toe- of afwijzen van de gevorderde dwangsom. Stichting BOOR verzoekt de gevorderde dwangsom alsnog toe te wijzen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. [eiser] heeft zelf, zonder tussenkomst van zijn advocaat, op het verzoek gereageerd. Die reactie komt er in de kern op neer dat [eiser] van mening is dat uit het zwijgen van het dictum van het vonnis van 5 juni 2025 over de dwangsom (juist) kan worden afgeleid dat de dwangsom impliciet is afgewezen.
Beoordeling
2.1.
Artikel 32 Rv geeft een eenvoudige herstelmogelijkheid voor het geval dat de rechter over een deel van het gevorderde of verzochte geen beslissing heeft gegeven.
2.2.
De voorzieningenrechter is met Stichting BOOR van oordeel dat niet is beslist op de onder 6. van haar tegenvorderingen gevorderde dwangsom, zodat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 32 Rv. Uit de omstandigheid dat in het vonnis van 5 juni 2025 niets over deze gevorderde dwangsom staat, kan niet worden afgeleid dat de gevorderde dwangsom is afgewezen en dat om die reden geen sprake is van een verzuim om te beslissen op een deel van het gevorderde.
2.3.
Ten aanzien van de door Stichting BOOR onder tegenvordering 6. gevorderde dwangsom overweegt de voorzieningenrechter alsnog als volgt.
2.4.
Aangezien niet is gesteld of gebleken dat [eiser] het in een eerder vonnis aan hem opgelegde omgevingsverbod heeft overtreden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan het nu opgelegde omgevingsverbod (alsnog) een dwangsom te verbinden.
2.5.
Het verzoek van Stichting BOOR om aanvulling wordt toegewezen in die zin dat de voorzieningenrechter expliciet zal beslissen over de dwangsom, en wel in die zin dat deze wordt afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter:
3.1.
vult het op 5 juni 2025 in deze zaak gewezen vonnis aan, in die zin dat de door Stichting BOOR onder 6. van haar tegenvorderingen gevorderde dwangsom wordt afgewezen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
3349 / 106
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/693918 / KG ZA 25-103
Vonnis in kort geding van 25 juni 2025
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: Egmond aan Zee,
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
advocaat mr. W. Boeters te Rotterdam,
tegen
STICHTING BOOR,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.G. Hofman te Heemstede.
Partijen worden hierna [eiser] en Stichting BOOR genoemd.
1Het verzoek tot aanvulling
1.1.
Bij brief van 16 juni 2025 heeft mr. Hofman namens Stichting BOOR verzocht om aanvulling van het op 5 juni 2025 in deze zaak gewezen vonnis. Stichting BOOR legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. Stichting BOOR heeft als tegenvordering 5. een omgevingsverbod voor [eiser] gevorderd tot 1 augustus 2026. Als tegenvordering 6. heeft Stichting BOOR gevorderd om aan het omgevingsverbod een dwangsom te verbinden. Het omgevingsverbod is voor een straal van 50 meter toegewezen tot 1 januari 2026, maar er is geen rechtsoverweging gewijd aan het toe- of afwijzen van de gevorderde dwangsom. Stichting BOOR verzoekt de gevorderde dwangsom alsnog toe te wijzen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. [eiser] heeft zelf, zonder tussenkomst van zijn advocaat, op het verzoek gereageerd. Die reactie komt er in de kern op neer dat [eiser] van mening is dat uit het zwijgen van het dictum van het vonnis van 5 juni 2025 over de dwangsom (juist) kan worden afgeleid dat de dwangsom impliciet is afgewezen.
Beoordeling
2.1.
Artikel 32 Rv geeft een eenvoudige herstelmogelijkheid voor het geval dat de rechter over een deel van het gevorderde of verzochte geen beslissing heeft gegeven.
2.2.
De voorzieningenrechter is met Stichting BOOR van oordeel dat niet is beslist op de onder 6. van haar tegenvorderingen gevorderde dwangsom, zodat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 32 Rv. Uit de omstandigheid dat in het vonnis van 5 juni 2025 niets over deze gevorderde dwangsom staat, kan niet worden afgeleid dat de gevorderde dwangsom is afgewezen en dat om die reden geen sprake is van een verzuim om te beslissen op een deel van het gevorderde.
2.3.
Ten aanzien van de door Stichting BOOR onder tegenvordering 6. gevorderde dwangsom overweegt de voorzieningenrechter alsnog als volgt.
2.4.
Aangezien niet is gesteld of gebleken dat [eiser] het in een eerder vonnis aan hem opgelegde omgevingsverbod heeft overtreden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan het nu opgelegde omgevingsverbod (alsnog) een dwangsom te verbinden.
2.5.
Het verzoek van Stichting BOOR om aanvulling wordt toegewezen in die zin dat de voorzieningenrechter expliciet zal beslissen over de dwangsom, en wel in die zin dat deze wordt afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter:
3.1.
vult het op 5 juni 2025 in deze zaak gewezen vonnis aan, in die zin dat de door Stichting BOOR onder 6. van haar tegenvorderingen gevorderde dwangsom wordt afgewezen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
3349 / 106