Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-06-23
ECLI:NL:RBROT:2025:7569
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,815 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 23 juni 2025
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 15 mei 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 16 mei 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 16 juni 2025.
Ter zitting van 16 juni 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw D. Kaya, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
[naam], werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2020 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de huurachterstand is ontstaan tijdens haar huwelijk. Haar ex-partner moest de huur betalen, maar deed dit niet. Inmiddels is verzoekster gescheiden en wenst zij een oplossing voor haar schulden. Verzoekster ziet in dat zij deze oplossing niet kan bereiken zonder hulp. De huur over de afgelopen maanden is betaald. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoekster samen met haar klantregisseur gegevens heeft verzameld. De verwachting is dat voor 1 juli 2025 de schulddienstverlening kan worden opgestart. Het budgetplan is ook al opgesteld. De inkomsten van verzoekster uit een Participatiewet-uitkering en huurtoeslag zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. De financiële situatie van verzoekster is stabiel. Ook zal budgetbeheer worden ingesteld, hetgeen de betaling van de lopende huurtermijnen waarborgt.
3. Het verweer
Verweerster heeft ter zitting verklaard dat verzoekster een kans verdient. Het gaat verweerster erom dat verzoekster hulp aanvaardt voor een oplossing van haar schulden. Verzoekster heeft in de periode 2015 tot en met 2019 onder bewind gestaan. Toen het beschermingsbewind is opgeheven is de huurachterstand ontstaan. Verweerster heeft verzoekster al twee maal eerder aangemeld voor hulp, maar verzoekster wilde haar problemen zelf oplossen. Verweerster vindt het fijn dat verzoekster nu inziet dat hulp nodig is en dat er aandacht is voor de schuldenproblematiek, zodat er niet opnieuw een huurschuld ontstaat. Verweerster heeft ter zitting bevestigd dat de huurtermijnen over de maanden april, mei en juni 2025 zijn voldaan.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2020 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 30 april 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 20 mei 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 juni 2020 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft inkomsten uit een Participatiewet-uitkering en huurtoeslag die voldoende zijn om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huurtermijnen over de maanden april, mei en juni 2025 zijn voldaan. Ten slotte verwacht schuldhulpverlening dat de schulddienstverlening voor 1 juli 2025 zal worden opgestart. Tevens zal budgetbeheer worden ingesteld. Budgetbeheer waarborgt de betaling van de lopende huurtermijnen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 9 juni 2020 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 16 mei 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2025.