Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-21
ECLI:NL:RBROT:2025:7226
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,145 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
verzoek toepassing schuldsanering: afwijzing
rekestnummer: [rekestnummer]
uitspraakdatum: 21 mei 2025
[verzoekster] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoekster.
Procesverloop
De rechtbank heeft op 30 januari 2025 een verzoekschrift met bijlagen ontvangen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De uitspraak is bepaald op heden.
Ter zitting van 23 april 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw N. Baycuman, werkzaam bij Stabilum, beschermingsbewindvoerder.
De rechtbank heeft verzoekster en de beschermingsbewindvoerder ter zitting verzocht uiterlijk 14 mei 2025 aanvullende stukken toe te sturen met betrekking tot de vordering van [schuldeiser] . Noch verzoekster, noch de beschermingsbewindvoerder heeft aan dit verzoek gehoor gegeven.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Feiten
Uit het verzoekschrift WSNP blijkt dat verzoekster een WIA-uitkering ontvangt. Uit de stukken blijkt dat deze WIA-uitkering is toegekend tot januari 2024. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat na januari 2024 een herbeoordeling heeft plaatsgevonden en dat zij via haar werkgever, die eigen risicodrager is, een onafhankelijke werkcoach heeft. Verzoekster heeft gesolliciteerd en een betaalde dienstbetrekking gevonden. Zij zal met ingang van 6 mei 2025 gaan werken als telefonisch hulpverlener. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 19.827,42.
In maart 2023 heeft verzoekster een minnelijk traject met goed gevolg afgerond. De huidige schulden zijn ontstaan omdat verzoekster in december 2023 is vertrokken naar haar geboorteland om de familie van haar toekomstig huwelijkspartner te ontmoeten. Verzoekster heeft verzuimd haar vaste lasten tijdens haar verblijf in het buitenland te betalen, waardoor de schulden zijn ontstaan.
Aan het huidige verzoek is geen minnelijk traject voorafgegaan. In de 285-verklaring staat vermeld dat de [bank] namens verzoekster geen aanbod heeft gedaan omdat andere omstandigheden bij de schuldenaar het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.
3. De standpunten
Schuldhulpverlening heeft de keuze om het minnelijk traject achterwege te laten toegelicht in de 285-verklaring. Schuldhulpverlening verklaart dat verzoekster in 2023 al een schuldregeling heeft doorlopen die is geslaagd. Vanwege de geslaagde schuldregeling heeft schuldhulpverlening namens de gemeente Rotterdam op 22 maart 2023 een beschikking afgegeven waarbij verzoekster is uitgesloten voor schuldbemiddeling voor de duur van vijf jaar. Deze termijn is ten tijde van het indienen van het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling nog niet verstreken. Schuldhulpverlening heeft ten behoeve van het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wel de schulden geïnventariseerd maar geen aanbod gedaan aan de schuldeisers vanwege de uitsluitingstermijn.
Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder meegedeeld dat de financiële situatie van verzoekster stabiel is. De beschermingsbewindvoerder heeft geen aanbod aan de schuldeisers gedaan, omdat, gelet op de hoogte van de schuldenlast van circa € 19.827,42, het niet haalbaar is voor verzoekster om met haar eigen vermogen een voorstel te doen aan de schuldeisers waarmee de schuldeisers akkoord zouden gaan. De beschermings-bewindvoerder tekent hierbij aan dat schuldeisers vaak niet akkoord gaan met een laag aanbod dat door de beschermingsbewindvoerder wordt gedaan. Op de vraag waarom er op de schuldenlijst een schuld staat van [schuldeiser] met ontstaansdatum 2015 kon de beschermingsbewindvoerder geen antwoord geven.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij liever buiten de wettelijke schuldsanerings-regeling om haar schulden regelt. Zij wenst betalingsregelingen te treffen met haar schuldeisers.
Beoordeling
Artikel 285 lid 1 sub f Fw bepaalt dat een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen dient te worden overgelegd bij een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Per 1 juli 2023 is aan dit artikellid toegevoegd dat als aannemelijk is dat onvoldoende aflossings-mogelijkheden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, voor de afgifte van deze verklaring niet eerst een poging hoeft te zijn gedaan om tot een dergelijke regeling te komen. Met de wijziging is beoogd om schuldenaren direct te kunnen doorgeleiden naar de wettelijke schuldsaneringsregeling zodra duidelijk is dat het beproeven van een buitengerechtelijke schuldregeling zinloos is. In het amendement dat tot wijziging van het artikel leidde, wordt een aantal situaties beschreven waarin kan worden afgezien van het doen van een aanbod:
budgetbeheer en/of schuldenbewind hebben na enige tijd de financiële situatie van de schuldenaar gestabiliseerd waardoor inzichtelijk is geworden dat de totstandkoming van een buitengerechtelijke schuldregeling kansloos is;
het wordt al snel duidelijk dat het onmogelijk zal zijn met een bepaalde schuldeiser overeenstemming te bereiken bijvoorbeeld door een brief van die schuldeiser of van zijn advocaat;
door dakloosheid of echtscheiding van de schuldenaar is het onmogelijk om binnen afzienbare tijd een volledig beeld te krijgen van alle schulden, wat essentieel is om überhaupt een schuldregeling te kunnen voorleggen aan de schuldeisers.
Uitgangspunt van de wetgever is dus (nog steeds) dat in voldoende mate een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling moet zijn gedaan en de schuldenaar in beginsel gehouden is een reëel en kwalitatief behoorlijk aanbod tot een minnelijke schuldregeling aan de schuldeisers te doen.
De rechtbank is bij het onderhavige verzoek van oordeel dat het onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van omstandigheden die het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. De algemene stelling van de beschermingsbewindvoerder dat schuldeisers vaak niet akkoord gaan met een door de beschermingsbewindvoerder gedaan (laag) voorstel, is hiervoor onvoldoende. Schuldhulpverlening heeft verzoekster weliswaar uitgesloten van hulp bij schulden voor de duur van vijf jaar, echter op grond van artikel 48 lid 1 sub c Wet op Consumentenkrediet kan ook de beschermingsbewindvoerder schuldbemiddeling uitvoeren en een aanbod aan de schuldeisers doen. De situatie van verzoekster is inmiddels ook wezenlijk veranderd. Verzoekster heeft immers ter zitting meegedeeld dat zij met ingang van 6 mei 2025 een betaalde dienstbetrekking heeft gevonden. De beschermingsbewindvoerder kan op basis van het inkomen dat verzoekster gaat verwerven een voorstel aan de schuldeisers doen. Indien verzoekster wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, zullen ook de kosten voor de WSNP-bewindvoerder moeten worden voldaan. Schuldeisers moeten de mogelijkheid krijgen om het bovenstaande mee te wegen in hun beslissing op een minnelijk aanbod en die mogelijkheid hebben zij nu niet gekregen. Verzoekster heeft bovendien slechts negen schuldeisers, zodat een buitengerechtelijk akkoord in korte tijd afgerond zou moeten kunnen worden. De rechtbank weegt bij haar ten slotte mee dat verzoekster ter zitting heeft meegedeeld dat zij haar schulden het liefst buiten een wettelijke schuldsaneringsregeling om wenst op te lossen.
Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.