Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-05
ECLI:NL:RBROT:2025:6959
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,932 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11465454 CV EXPL 24-32994
datum uitspraak: 5 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: H.J. Jansen, gerechtsdeurwaarder te Purmerend,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Havensteder heeft op 28 november 2024 [gedaagde] gedagvaard in verband met het niet nakomen van haar betalingsverplichting uit de huurovereenkomst. Omdat zij niet in de procedure is verschenen, is tegen haar verstek verleend (artikel 139 Rv).
1.2.
Bij rolbeslissing van 5 februari 2025 heeft de kantonrechter aan Havensteder meegedeeld dat zij ambtshalve moet beoordelen of sprake is van oneerlijke en dus onredelijk bezwarende bepalingen in de huurovereenkomst. Te kennen is gegeven dat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter het opslagbeding en het boetebeding in de overeenkomst oneerlijk zijn. Havensteder is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Dat heeft zij gedaan bij akte, met bijlagen, op de rolzitting van 19 februari 2025.
1.3.
De datum van de uitspraak van het vonnis is bepaald op vandaag. Dit betreft een tussenvonnis.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Havensteder heeft vanaf 3 juli 2020 aan [gedaagde] verhuurd de woning aan de [adres] te Capelle aan den IJssel. De netto huurprijs bedroeg bij aanvang van de huur € 950,- per maand. Er was dus sprake van een geliberaliseerde huurprijs. De huurovereenkomst heeft geduurd tot en met 12 augustus 2022 en is geëindigd door opzegging door [gedaagde] .
2.2.
Havensteder stelt dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met de betaling van huur, servicekosten en mutatiekosten. Volgens Havensteder is een bedrag van € 2.725,86 aan hoofdsom open blijven staan. Geprobeerd is het bedrag te innen, waardoor kosten zijn gemaakt. In verband hiermee eist Havensteder om [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van
€ 2.725,86 aan hoofdsom, € 307,84 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 335,31 aan reeds verschenen rente, tezamen € 3.369,01, alsmede de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de dagvaarding, plus de proceskosten.
Oneerlijk opslagbeding en boetebeding
2.3.
Geconstateerd is dat in de huurovereenkomst, waarop van toepassing zijn verklaard de Algemene Huurvoorwaarden van Havensteder, bepalingen staan die (gedeeltelijk) aangemerkt worden als oneerlijke bepalingen zoals bedoeld in Richtlijn 93/13 EG. Het betreft artikel 5.1 van de Algemene Huurvoorwaarden voor zover Havensteder zich daarin het recht heeft voorbehouden om, bovenop de jaarlijkse huurprijswijziging op basis van de ontwikkeling van de inflatie, de huurprijs te vermeerderen met een door Havensteder jaarlijks vast te stellen opslagpercentage van ten hoogste 5%. Dat laatste is een oneerlijk opslagbeding. Het betreft ook artikel 21.2 van de Algemene Huurvoorwaarden. Dat is een oneerlijk boetebeding. In de rolbeslissing is dit al meegedeeld. Van de zijde van Havensteder zijn vervolgens geen omstandigheden naar voren gebracht die handhaving van het opslagbeding en het boetebeding rechtvaardigen. Daarom moeten deze bedingen (gedeeltelijk) vernietigd worden.
Huurachterstand
2.4.
Het voorgaande betekent dat om de huurachterstand te bepalen uitgegaan dient te worden van de huurprijs die partijen in 2020 zijn overeengekomen plus de toegepaste huurverhogingen voor zover die zijn toegestaan, gelet op de inflatie maar ook bij of krachtens de wet.
2.5.
De gemiddelde CPI inflatie in Nederland was in 2021 en 2022 2,7% respectievelijk 10%. De door de wetgever toegestane maximale huurprijsstijgingen voor vrije sectorwoningen in 2021 en 2022 waren 2,4% en 3,3%.
2.6.
De door Havensteder toegepaste huurverhogingen zijn lager geweest dan had gekund. Uit de akte blijkt namelijk dat de huurprijs per 1 juli 2021 is verhoogd van € 950,- naar € 967,10 per maand, een verhoging met 1,8%, en per 1 juli 2022 naar € 989,34 per maand, een verhoging met 2,3%.
2.7.
De huurverhogingen strekken dus niet in mindering te strekken op de hoofdsom.
Het geëiste bedrag van € 2.725,86 aan hoofdsom wordt daarom toegewezen.
Incassokosten en rente
2.8.
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. Zoals vermeld staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling in de Algemene Huurvoorwaarden. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag Havensteder daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat gedaagde een boete moet betalen als gedaagde niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zou [gedaagde] als zij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. Havensteder wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.
Proceskosten
2.14.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij in overwegende mate ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt de kosten die [gedaagde] aan Havensteder moet betalen vast op € 135,79 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 238,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 238,-) en € 119,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.006,79. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen € 2.725,86;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden vastgesteld op € 1.006,79;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465
Artikel 5.2 Algemene Huurvoorwaarden: De inflatie wordt bepaald door de ontwikkeling gedurende een jaar (van februari in het jaar voorafgaand aan de verhoging tot februari in het jaar van de verhoging) van het maandprijsindexcijfer volgens de reeks alle huishoudens van de Consumentenprijsindex, op de meest recente tijdsbasis vastgesteld en gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia)