Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-06-13
ECLI:NL:RBROT:2025:6927
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,034 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:6927 text/xml public 2026-03-05T14:46:18 2025-06-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-06-13 ROT 24/7871 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:6927 text/html public 2026-03-05T14:45:38 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:6927 Rechtbank Rotterdam , 13-06-2025 / ROT 24/7871 AOW. Herziening van toeslag op ouderdomspensioen vanwege wijziging inkomen partner en terugvordering van het te veel betaalde bedrag als gevolg van deze herziening. Geen sprake van dringende redenen om af te zien van herziening of terugvordering. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/7871 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik), en de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. G.E. Eind). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de herziening van de toeslag op eisers ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het niet eens met deze herziening en de terugvordering van het te veel betaalde bedrag als gevolg van deze herziening. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening en terugvordering. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht eisers AOW-pensioen heeft herzien en op goede gronden niet van terugvordering heeft afgezien . Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Met het besluit van 30 mei 2023 (primair besluit 1) heeft verweerder de toeslag op eisers AOW-pensioen herzien over de maanden mei 2022 tot en met april 2023 en een bedrag van € 951,11 teruggevorderd. Met het besluit van 24 oktober 2023 (primair besluit 2) heeft verweerder een betalingsregeling vastgesteld op basis waarvan het per maand ingehouden bedrag van € 438,- is vastgesteld met een eindtermijn van € 83,11. Op 14 december 2023 heeft verweerder eiser een afschrift van de uitkeringsspecificaties gestuurd waaruit blijkt dat in de maand november 2023 een bedrag van € 438,- is ingehouden op eisers AOW-pensioen conform die betalingsregeling. 2.2. Met het bestreden besluit van 3 juli 2024 heeft verweerder eisers bezwaar tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard en heeft hij eisers bezwaar tegen primair besluit 2 en de uitkeringsspecificaties van 14 december 2023 niet-ontvankelijk verklaard. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Verweerder heeft de toeslag op het AOW-pensioen van eiser aangepast voor de periode van mei 2022 tot en met april 2023 vanwege een wijziging in het inkomen van eisers partner. Als gevolg van deze herziening heeft eiser in de periode van mei 2022 tot en met april 2023 te veel AOW-toeslag ontvangen en moet hij een bedrag van € 951,11 terugbetalen. 4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Het bezwaar tegen primair besluit 1 was weliswaar te laat, maar geoordeeld is dat het aannemelijk is dat eiser het besluit niet heeft ontvangen nu het retour is gekomen. Daarnaast is geoordeeld dat eiser een geldige reden had voor de termijnoverschrijding. Inhoudelijk is het bezwaar ongegrond verklaard omdat het inkomen van eisers partner in de maanden mei 2022 tot en met april 2023 hoger bleek te zijn dan het fictieve inkomen waar verweerder rekening mee had gehouden. Hierdoor heeft eiser te veel AOW-toeslag ontvangen. Het bezwaar tegen primair besluit 2 is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser te laat bezwaar heeft ingediend en hij geen geldige reden voor de termijnoverschrijding heeft aangevoerd. Het bezwaar tegen de uitkeringsspecificaties is niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar openstaat. De specificaties hebben volgens verweerder geen ander rechtsgevolg dan al is opgenomen in primair besluit 2. Er zijn verder geen dringende reden of bijzondere omstandigheden die een aanpassing van de toeslag onevenredig maakt. Beoordeling door de rechtbank 5. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 6. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten aanzien van primair besluit 1 ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering. Volgens eiser kon hij redelijkerwijs niet vermoeden dat hij mogelijk te veel AOW-toeslag zou hebben ontvangen omdat hij in de periodes van juni 2022 tot en met oktober 2022 en van januari 2023 tot en met april 2023 slechts kleine bedragen extra zou hebben ontvangen. Voorts voert eiser aan dat verweerder medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van de terugvordering en de onnodige toename van het terug te vorderen bedrag omdat de terugvordering voor het eerst aan de orde kwam in mei 2022 en de besluitvorming met betrekking tot de terugvordering en invordering pas ruim een jaar later plaatsvond. Verder beroept eiser zich op het evenredigheidsbeginsel. Eiser voert ten aanzien van primair besluit 2 aan dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser stelt dat hij primair besluit 2 nooit heeft ontvangen en dat hij pas voor het eerst op 3 januari 2024 van dat besluit op de hoogte is geraakt, waarna hij onmiddellijk bezwaar heeft ingediend. Eiser stelt in dit kader dat het onduidelijk is waarom verweerder het besluit naar [naam zorginstelling] heeft gestuurd omdat dat een zorginstelling is. Dit terwijl verweerder redelijkerwijze op de hoogte had kunnen zijn van de gemachtigde van eiser nu gemachtigde eiser al vaker in juridische procedures heeft vertegenwoordigd. 7. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep zich niet richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de uitkeringsspecificaties zodat dit onderwerp geen behandeling behoeft. Herziening en terugvordering 8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser te veel AOW-pensioen heeft ontvangen. Verweerder is dan gehouden het relevante besluit te herzien of in te trekken, tenzij er sprake is van dringende redenen om hiervan af te zien. 9. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1173) kunnen dringende redenen alleen zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale gevolgen die een terugvordering voor een betrokkene heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. 10. Eisers beroepsgrond dat er sprake is van dringende redenen omdat hij niet bewust te veel AOW-toeslag heeft ontvangen en verweerder medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van de terugvordering en de onnodige toename van het terug te vorderen bedrag, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd dat hij bij de AOW-toeslag uitgaat van een voorlopig (fictief) inkomen om de toeslag te berekenen en dat verweerder ieder jaar achteraf vaststelt of de toeslag moet worden nabetaald of terugbetaald. Gelet op het voorgaande heeft eiser moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving. Hierbij is van belang dat eiser in voorgaande jaren ook beslissingen van verweerder heeft ontvangen wegens wijziging van het inkomen van zijn partner, waarna hij een bedrag nabetaald kreeg of moest terugbetalen. Het verwijt dat eiser verweerder maakt dat verweerder mede verantwoordelijk is voor het ontstaan van de vordering is in de gegeven omstandigheden niet op zijn plaats. 11.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:6927 text/xml public 2026-04-16T10:03:25 2025-06-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-06-13 ROT 24/7871 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl PJ 2026/39 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:6927 text/html public 2026-03-05T14:45:38 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:6927 Rechtbank Rotterdam , 13-06-2025 / ROT 24/7871 AOW. Herziening van toeslag op ouderdomspensioen vanwege wijziging inkomen partner en terugvordering van het te veel betaalde bedrag als gevolg van deze herziening. Geen sprake van dringende redenen om af te zien van herziening of terugvordering. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/7871 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik), en de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. G.E. Eind). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de herziening van de toeslag op eisers ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het niet eens met deze herziening en de terugvordering van het te veel betaalde bedrag als gevolg van deze herziening. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening en terugvordering. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht eisers AOW-pensioen heeft herzien en op goede gronden niet van terugvordering heeft afgezien . Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Met het besluit van 30 mei 2023 (primair besluit 1) heeft verweerder de toeslag op eisers AOW-pensioen herzien over de maanden mei 2022 tot en met april 2023 en een bedrag van € 951,11 teruggevorderd. Met het besluit van 24 oktober 2023 (primair besluit 2) heeft verweerder een betalingsregeling vastgesteld op basis waarvan het per maand ingehouden bedrag van € 438,- is vastgesteld met een eindtermijn van € 83,11. Op 14 december 2023 heeft verweerder eiser een afschrift van de uitkeringsspecificaties gestuurd waaruit blijkt dat in de maand november 2023 een bedrag van € 438,- is ingehouden op eisers AOW-pensioen conform die betalingsregeling. 2.2. Met het bestreden besluit van 3 juli 2024 heeft verweerder eisers bezwaar tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard en heeft hij eisers bezwaar tegen primair besluit 2 en de uitkeringsspecificaties van 14 december 2023 niet-ontvankelijk verklaard. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Verweerder heeft de toeslag op het AOW-pensioen van eiser aangepast voor de periode van mei 2022 tot en met april 2023 vanwege een wijziging in het inkomen van eisers partner. Als gevolg van deze herziening heeft eiser in de periode van mei 2022 tot en met april 2023 te veel AOW-toeslag ontvangen en moet hij een bedrag van € 951,11 terugbetalen. 4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Het bezwaar tegen primair besluit 1 was weliswaar te laat, maar geoordeeld is dat het aannemelijk is dat eiser het besluit niet heeft ontvangen nu het retour is gekomen. Daarnaast is geoordeeld dat eiser een geldige reden had voor de termijnoverschrijding. Inhoudelijk is het bezwaar ongegrond verklaard omdat het inkomen van eisers partner in de maanden mei 2022 tot en met april 2023 hoger bleek te zijn dan het fictieve inkomen waar verweerder rekening mee had gehouden. Hierdoor heeft eiser te veel AOW-toeslag ontvangen. Het bezwaar tegen primair besluit 2 is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser te laat bezwaar heeft ingediend en hij geen geldige reden voor de termijnoverschrijding heeft aangevoerd. Het bezwaar tegen de uitkeringsspecificaties is niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar openstaat. De specificaties hebben volgens verweerder geen ander rechtsgevolg dan al is opgenomen in primair besluit 2. Er zijn verder geen dringende reden of bijzondere omstandigheden die een aanpassing van de toeslag onevenredig maakt. Beoordeling door de rechtbank 5. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 6. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten aanzien van primair besluit 1 ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering. Volgens eiser kon hij redelijkerwijs niet vermoeden dat hij mogelijk te veel AOW-toeslag zou hebben ontvangen omdat hij in de periodes van juni 2022 tot en met oktober 2022 en van januari 2023 tot en met april 2023 slechts kleine bedragen extra zou hebben ontvangen. Voorts voert eiser aan dat verweerder medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van de terugvordering en de onnodige toename van het terug te vorderen bedrag omdat de terugvordering voor het eerst aan de orde kwam in mei 2022 en de besluitvorming met betrekking tot de terugvordering en invordering pas ruim een jaar later plaatsvond. Verder beroept eiser zich op het evenredigheidsbeginsel. Eiser voert ten aanzien van primair besluit 2 aan dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser stelt dat hij primair besluit 2 nooit heeft ontvangen en dat hij pas voor het eerst op 3 januari 2024 van dat besluit op de hoogte is geraakt, waarna hij onmiddellijk bezwaar heeft ingediend. Eiser stelt in dit kader dat het onduidelijk is waarom verweerder het besluit naar [naam zorginstelling] heeft gestuurd omdat dat een zorginstelling is. Dit terwijl verweerder redelijkerwijze op de hoogte had kunnen zijn van de gemachtigde van eiser nu gemachtigde eiser al vaker in juridische procedures heeft vertegenwoordigd. 7. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep zich niet richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de uitkeringsspecificaties zodat dit onderwerp geen behandeling behoeft. Herziening en terugvordering 8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser te veel AOW-pensioen heeft ontvangen. Verweerder is dan gehouden het relevante besluit te herzien of in te trekken, tenzij er sprake is van dringende redenen om hiervan af te zien. 9. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1173) kunnen dringende redenen alleen zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale gevolgen die een terugvordering voor een betrokkene heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. 10. Eisers beroepsgrond dat er sprake is van dringende redenen omdat hij niet bewust te veel AOW-toeslag heeft ontvangen en verweerder medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van de terugvordering en de onnodige toename van het terug te vorderen bedrag, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd dat hij bij de AOW-toeslag uitgaat van een voorlopig (fictief) inkomen om de toeslag te berekenen en dat verweerder ieder jaar achteraf vaststelt of de toeslag moet worden nabetaald of terugbetaald. Gelet op het voorgaande heeft eiser moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving. Hierbij is van belang dat eiser in voorgaande jaren ook beslissingen van verweerder heeft ontvangen wegens wijziging van het inkomen van zijn partner, waarna hij een bedrag nabetaald kreeg of moest terugbetalen. Het verwijt dat eiser verweerder maakt dat verweerder mede verantwoordelijk is voor het ontstaan van de vordering is in de gegeven omstandigheden niet op zijn plaats. 11.
Volledig
Ook in de overige omstandigheden die door eiser zijn aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen die tot het geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering hadden moeten leiden. Met de financiële gevolgen van de terugvordering wordt rekening gehouden bij de invordering, waarbij het bestaansminimum in acht wordt genomen. Eiser heeft in dit kader niets concreets aangevoerd dat er op wijst dat hieraan niet voldaan wordt. 12. Eiser beroept zich tot slot nog op de evenredigheid en verwijst naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1). De rechtbank stelt vast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen heeft heroverwogen, zoals door de Raad was verzocht, met als conclusie dat de berekening van de beslagvrije voet voor AOW-gerechtigden niet wordt aangepast. De Raad is vervolgens van dit beoordelingskader uitgegaan in de uitspraak van 16 januari 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:216). Het beroep op de evenredigheid slaagt niet. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen primair besluit 2 13. De rechtbank stelt vast dat primair besluit 2, net als primair besluit 1 en het bestreden besluit, is verzonden aan eiser, per adres aan [naam zorginstelling] , zijnde de op dat moment bij verweerder bekende gevolmachtigde van eiser volgens een op 8 april 2019 getekende volmacht. 14. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1210) heeft verweerder aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatste bekende adres van betrokkene. Nu het adres van [naam zorginstelling] na een machtiging van eiser als correspondentieadres in verweerders systeem is opgenomen en verweerder van eiser geen wijziging hiervan heeft ontvangen, heeft verweerder aan zijn bekendmakingsverplichting voldaan. 15. De rechtbank oordeelt op basis van het bovenstaande dat verweerder primair besluit 2 op de juiste wijze bekend heeft gemaakt door deze, voorzien van een juiste tenaamstelling, te versturen naar de gevolmachtigde van eiser. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser ten aanzien van de overschrijding van de bezwaartermijn geen gronden heeft aangevoerd die leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Verweerder heeft het bezwaar van verweerder tegen primair besluit 2 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Conclusie en gevolgen 16. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht In artikel 3:41, eerste lid, is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. In artikel 6:11 is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Algemene ouderdomswet In artikel 17, eerste lid, is bepaald dat het ouderdomspensioen door de Sociale verzekeringsbank wordt ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt. In artikel 17a, eerste lid onder b, is bepaald dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit herziet of intrekt indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. In artikel 17a, tweede lid, is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn de Sociale verzekeringsbank kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af kan zien. In artikel 24, eerste lid, is bepaald dat het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door de Sociale verzekeringsbank wordt teruggevorderd van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel van de erfgenaam van de pensioengerechtigde voor zover het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen. In artikel 24, tweede lid, is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn de Sociale verzekeringsbank kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Volledig
Ook in de overige omstandigheden die door eiser zijn aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen die tot het geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering hadden moeten leiden. Met de financiële gevolgen van de terugvordering wordt rekening gehouden bij de invordering, waarbij het bestaansminimum in acht wordt genomen. Eiser heeft in dit kader niets concreets aangevoerd dat er op wijst dat hieraan niet voldaan wordt. 12. Eiser beroept zich tot slot nog op de evenredigheid en verwijst naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1). De rechtbank stelt vast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen heeft heroverwogen, zoals door de Raad was verzocht, met als conclusie dat de berekening van de beslagvrije voet voor AOW-gerechtigden niet wordt aangepast. De Raad is vervolgens van dit beoordelingskader uitgegaan in de uitspraak van 16 januari 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:216). Het beroep op de evenredigheid slaagt niet. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen primair besluit 2 13. De rechtbank stelt vast dat primair besluit 2, net als primair besluit 1 en het bestreden besluit, is verzonden aan eiser, per adres aan [naam zorginstelling] , zijnde de op dat moment bij verweerder bekende gevolmachtigde van eiser volgens een op 8 april 2019 getekende volmacht. 14. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1210) heeft verweerder aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatste bekende adres van betrokkene. Nu het adres van [naam zorginstelling] na een machtiging van eiser als correspondentieadres in verweerders systeem is opgenomen en verweerder van eiser geen wijziging hiervan heeft ontvangen, heeft verweerder aan zijn bekendmakingsverplichting voldaan. 15. De rechtbank oordeelt op basis van het bovenstaande dat verweerder primair besluit 2 op de juiste wijze bekend heeft gemaakt door deze, voorzien van een juiste tenaamstelling, te versturen naar de gevolmachtigde van eiser. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser ten aanzien van de overschrijding van de bezwaartermijn geen gronden heeft aangevoerd die leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Verweerder heeft het bezwaar van verweerder tegen primair besluit 2 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Conclusie en gevolgen 16. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht In artikel 3:41, eerste lid, is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. In artikel 6:11 is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Algemene ouderdomswet In artikel 17, eerste lid, is bepaald dat het ouderdomspensioen door de Sociale verzekeringsbank wordt ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt. In artikel 17a, eerste lid onder b, is bepaald dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit herziet of intrekt indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. In artikel 17a, tweede lid, is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn de Sociale verzekeringsbank kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af kan zien. In artikel 24, eerste lid, is bepaald dat het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door de Sociale verzekeringsbank wordt teruggevorderd van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel van de erfgenaam van de pensioengerechtigde voor zover het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen. In artikel 24, tweede lid, is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn de Sociale verzekeringsbank kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.