Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-21
ECLI:NL:RBROT:2025:6747
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,649 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11412422 CV EXPL 24-29280
datum uitspraak: 21 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [plaats] ,
eiseres,
verweerster in verzet,
gemachtigde: H.A.M. Over de Vest,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats] ,
gedaagde,
eiseres in verzet,
gemachtigde: mr. H.P. Schouten.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 19 maart 2024, met bijlagen;
het verstekvonnis van deze rechtbank van 11 april 2024 met zaaknummer 11004411 \ CV EXPL 24-7943 (verder het verstekvonnis);
de verzetdagvaarding van 11 november 2024;
1.2.
Op 5 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: de heer Over de Vest als gemachtigde van [eiseres] en [gedaagde] , bijgestaan door mr. J. Verheij, die waarneemt voor mr. H.P. Schouten.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiseres] is in maart 2024 deze procedure gestart tegen [gedaagde] . In deze procedure heeft [eiseres] gesteld dat sprake is van een huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] met betrekking tot de woning aan [adres] te [plaats] . Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan. [eiseres] eist daarom dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] de woning moet ontruimen. Ook eist [eiseres] dat [gedaagde] de huurachterstand betaalt met rente en incassokosten. Tegen [gedaagde] is verstek verleend en de vorderingen van [eiseres] zijn, met uitzondering van de gevorderde rente, toegewezen in het verstekvonnis.
2.2.
[gedaagde] is van mening dat zij ten onrechte bij verstek is veroordeeld. Allereerst betwist zij de hoogte van de huurachterstand, omdat zij inmiddels meerdere keren een bedrag aan de gemachtigde van [eiseres] heeft betaald. Verder voert zij aan dat zij samen met haar minderjarige kind in de woning woont. Zij legt uit dat zij in een neerwaartse spiraal terecht is gekomen, waardoor schulden zijn ontstaan. Inmiddels heeft zij hulp gevraagd en beschikt zij over een maandelijks stabiel inkomen waardoor de lopende huur weer wordt betaald. Zij verzoekt de kantonrechter daarom om het verstekvonnis te vernietigen en de eis van [eiseres] af te wijzen.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 2.986,39 betalen
2.3.
[eiseres] heeft tijdens de zitting een actuele specificatie overgelegd van de huurachterstand. Deze bedroeg op dat moment € 2.986,39, berekend tot en met februari 2025. Bij de berekening van deze huurachterstand heeft zij rekening gehouden met de bedragen die [gedaagde] inmiddels heeft betaald. [gedaagde] heeft de hoogte van de huurachterstand tijdens de mondelinge behandeling erkend. De huurachterstand van € 2.986,39 wordt daarom toegewezen.
Ontbinding van de huurovereenkomst
2.4.
[gedaagde] is verplicht om de huur op tijd te betalen. Dat heeft zij niet gedaan. Daarom vraagt [eiseres] de huurovereenkomst te ontbinden. De rechter wijst dit alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Meestal zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden.
2.5.
De kantonrechter heeft er in dit geval allereerst rekening mee gehouden dat er een minderjarig kind in de woning woont. Op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moet bij een beslissing als de onderhavige, die betrekking heeft op de woonruimte van een minderjarige, het belang van het kind weliswaar een eerste overweging zijn, maar dat betekent niet dat de enkele aanwezigheid van een minderjarig kind zonder meer aan een vonnis strekkende tot ontruiming in de weg staat. In dit geval is van belang dat [gedaagde] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen; zij heeft een huurachterstand van bijna vijf maanden laten ontstaan. Deze procedure loopt inmiddels al bijna een jaar en de huurachterstand is nog steeds niet betaald. Zelfs na het uitbrengen van de verzetdagvaarding is [gedaagde] er niet in geslaagd de huur op tijd te betalen. Verder heeft [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure vaker een huurachterstand gehad. Zij is daarvoor twee keer een betalingsregeling overeengekomen met [eiseres] . Beide regelingen zijn komen te vervallen omdat [gedaagde] deze niet nakwam.Ook heeft [gedaagde] het traject dat de [gemeente] met haar had opgezet om haar te helpen bij het aanpakken van haar schulden stopgezet. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden die volgens [gedaagde] tot de betalingsproblemen hebben geleid, kunnen – hoe vervelend deze ook zijn – niet aan [eiseres] worden tegengeworpen. Deze persoonlijke omstandigheden betekenen niet dat [gedaagde] niet meer hoeft te betalen.
2.6.
Bij de afweging van de bovenstaande omstandigheden komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde] zodanig ernstig tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, dat dit de door [eiseres] gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.7.
Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al haar spullen en met alle personen die daar met haar zijn verlaten. [eiseres] heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij dit vonnis de eerste drie maanden na de vonnisdatum niet zal uitvoeren. De ontruimingstermijn wordt daarom vastgesteld op drie maanden na betekening van dit vonnis.
2.8.
Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 600,47 per maand betalen (artikel 7:225 BW). [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten en rente te betalen
2.9.
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In de algemene voorwaarden van [eiseres] staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling (artikel 17.1). Omdat die bepaling oneerlijk is, mag [eiseres] daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde] een boete van € 50,- per dag moet betalen als zij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zou [gedaagde] als zij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. [eiseres] wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.10.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 136,71 aan dagvaardingskosten, € 496,- aan griffierecht, € 542,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 271,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.309,71.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Conclusie
2.13.
De kantonrechter wijkt op verschillende punten af van het oordeel in het verstekvonnis. De kantonrechter vernietigt daarom het verstekvonnis en spreekt een nieuwe veroordeling uit.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
vernietigt het op 11 april 2024 tussen partijen gewezen verstekvonnis met zaaknummer 11004411 \ CV EXPL 24-7943;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 2.986.39;
3.3.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen 3 maanden na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf maart 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiseres] te betalen € 600,47 per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.309,71;
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
64362
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810
Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia)