Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-21
ECLI:NL:RBROT:2025:6651
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,749 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11329470 CV EXPL 24-24772
datum uitspraak: 21 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] , die handelt onder de naam [handelsnaam] ,
zaakdoende in [plaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. W. van Leuveren,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 13 september 2024, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de akte uitlating producties voor de zitting van 19 februari 2025 aan de zijde van [eiser] , met bijlagen;
1.2.
Op 19 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
[eiser] met mr. van Leuveren;
[gedaagde] met mr. Langeweg.
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
2.1.
[gedaagde] heeft een grote lading hometrainers gekocht van een derde genaamd [persoon A] . [eiser] had via [persoon A] gehoord dat [gedaagde] deze hometrainers wilde verkopen en is zo met [gedaagde] in contact gekomen. [eiser] stelt bij dagvaarding dat hij met [gedaagde] is overeengekomen dat hij 150 hometrainers van hem zou kopen, later stelt hij dat hij alleen houder van de hometrainers zou zijn voor een derde genaamd [persoon B] . [gedaagde] stelt dat [eiser] de koper van de hometrainers is. Voor de levering van de hometrainers spraken partijen af dat zij op 22 december 2021 aanwezig zouden zijn bij een loods.
2.2.
Op 22 december 2021 valt de politie de loods binnen, net nadat [eiser] € 9.000,00 aan [gedaagde] heeft overhandigd. De politie arresteert hen vervolgens op verdenking van koop danwel verkoop van gestolen goederen. De hometrainers waren namelijk afkomstig van diefstal. De hometrainers en de € 9.000,00 zijn door de politie in beslag genomen en partijen zijn verhoord door de politie.
2.3.
De strafzaken tegen [eiser] en [gedaagde] zijn later geseponeerd. De gestolen hometrainers zijn door het Openbaar Ministerie ter beschikking gesteld aan de rechtmatig eigenaar en de door [eiser] aan [gedaagde] betaalde € 9.000,00 is aan [gedaagde] teruggegeven.
Wat houdt partijen verdeeld?
2.4.
Wat partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of [gedaagde] € 9.000,00 moet terugbetalen aan [eiser] .
2.5.
[eiser] eist een verklaring voor recht dat [gedaagde] de € 9.000,00 aan hem moet betalen en dat [gedaagde] daartoe wordt veroordeeld. Volgens hem is sprake van een nietige overeenkomst. Bovendien is sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst, dwaling, bedrog, non-conformiteit, een rechtsgebrek of schending van de hoofdverplichting van de verkoper. [eiser] heeft daarom, naar eigen zeggen, de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.
2.6.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Volgens hem is er geen sprake van een nietige overeenkomst en is hij de overeenkomst nagekomen omdat de hometrainers zijn overgedragen en geleverd. Ook is er geen sprake van dwaling of bedrog.
2.7.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] € 9.000,00 moet terugbetalen aan [eiser] . Hierna wordt toegelicht waarom.
Er bestaat een koopovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser]
2.8.
De kantonrechter is van oordeel dat er tussen [gedaagde] en [eiser] een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Hoewel [eiser] in een latere akte stelt dat de hometrainers longa manu geleverd zouden worden aan een koper genaamd [persoon B] en hij hiermee dus bedoelt dat hij zelf geen contractspartij is bij de koopovereenkomst, blijkt dit nergens uit. Van levering longa manu zou sprake zijn als [eiser] voor [gedaagde] de hometrainers hield, en deze hometrainers na de overdracht voor [persoon B] houdt (artikel 3:115 lid 3 BW). [eiser] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij alleen houder van de hometrainers zou zijn. Nu [eiser] bij dagvaarding zelf stelt dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] 150 hometrainers van [gedaagde] zou kopen voor € 9.000,00 (€ 60,00 per stuk) en hij dit ook heeft verklaard tijdens het verhoor van de politie, had het op zijn weg gelegen om te onderbouwen dat hij alleen houder van de hometrainers zou zijn. Dat heeft hij niet gedaan, terwijl hij daartoe wel de gelegenheid heeft gehad. Ondanks de wisselende stellingen van [eiser] , gaat de kantonrechter er daarom vanuit dat [eiser] contractspartij is en dat partijen zijn overeengekomen dat hij de koper van de hometrainers is.
De koopovereenkomst is niet nietig
2.9.
De kantonrechter vindt dat de overeenkomst niet nietig is, nu niet is vast komen te staan dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling en de overeenkomst niet in strijd is met de openbare orde of goede zeden.
2.10.
Hoewel [eiser] stelt dat er sprake is van een nietige overeenkomst, omdat de hometrainers van diefstal afkomstig zijn, maakt het enkele feit dat goederen van diefstal afkomstig zijn nog niet dat de overeenkomst daarmee ook nietig is. Op grond van artikel 3:40 lid 2 BW is een rechtshandeling die in strijdt is met een dwingende wetsbepaling nietig, tenzij de bepaling strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling. Van een door de wet verboden overeenkomst is bijvoorbeeld sprake bij (schuld)heling (artikel 416 Sr en artikel 417bis Sr). Nu [gedaagde] niet strafrechtelijk is veroordeeld voor het begaan van (schuld)heling, is de overeenkomst om die reden niet bij voorbaat nietig. De kantonrechter vindt bovendien dat de koopovereenkomst niet in strijd is met de openbare orde of goede zeden (artikel 3:40 BW), nu niet is gesteld of gebleken dat de koopovereenkomst in strijd is met fundamentele beginselen van de rechtsorde of met algemene belangen van fundamentele aard.
[gedaagde] moet € 9.000,00 aan [eiser] betalen
2.11.
[gedaagde] moet € 9.000,00 aan [eiser] betalen, omdat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en deze tekortkoming ontbinding rechtvaardigt (artikel 6:265 BW). Dit brengt met zich mee dat [eiser] deze overeenkomst buitengerechtelijk kon ontbinden en dat heeft [eiser] dan ook op 19 juli 2024 met een schriftelijke verklaring gedaan (artikel 6:267 BW). [gedaagde] moet daarom het aankoopbedrag terugbetalen aan [eiser] (artikel 6:271 BW). Hierna worden de overwegingen van de kantonrechter toegelicht.
2.12.
Op grond van de koopovereenkomst tussen partijen, moest [gedaagde] de Hometrainers aan [eiser] geven en daarmee dus het eigendom van de hometrainers aan [eiser] overdragen (artikel 7:9 BW). Voor een rechtsgeldige eigendomsoverdracht is nodig dat er voor die overdracht een titel bestaat, dat de overdragende partij beschikkingsbevoegd is en dat levering plaatsvindt (artikel 3:84 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat sprake was van een geldige titel. Vast staat dat [gedaagde] niet beschikkingsbevoegd was nu de hometrainers afkomstig zijn van diefstal. [eiser] stelt dat [gedaagde] daardoor tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat [gedaagde] de hometrainers niet aan hem heeft kunnen overdragen. [gedaagde] stelt dat hij niet wist dat de hometrainers van diefstal afkomstig waren. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [gedaagde] een beroep doet op artikel 3:86 lid 1 BW en meent dat er sprake is van een geldige overdracht omdat hij te goeder trouw was in de zin van artikel 3:11 BW. [eiser] stelt dat [gedaagde] niet te goeder trouw was, omdat hij zijn onderzoeksplicht heeft geschonden. Goede trouw ontbreekt namelijk als [gedaagde] wist of moest weten dat [persoon A] geen eigenaar van de hometrainers was (artikel 3:11 BW). Wanneer er reden is voor twijfel dat de verkoper de eigenaar van de goederen is, heeft de verkrijger een onderzoeksplicht. De kantonrechter vindt dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Voor de beoordeling van de aard en omvang van de onderzoeksplicht zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Daarbij heeft de kantonrechter in ieder geval rekening gehouden met het volgende.
2.13.
De inkoopprijs voor het bedrijf waarvoor de hometrainers waren bedoeld was meer dan twee keer zoveel als het bedrag dat [gedaagde] naar eigen zeggen is overeengekomen met [persoon A] . De overdracht van de hometrainers vond plaats op een zondag bij een loods gelegen op een industrieterrein.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 9.000,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 3 augustus 2024 tot de dat dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.630,54 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64266
Beoordeling
[persoon A] had [gedaagde] , naar eigen zeggen, initieel verteld dat hij een loods verhuurde en zijn huurders de huur niet meer konden betalen. In deze loods stonden hometrainers die eigendom van de huurders zouden zijn en [persoon A] zou deze, volgens de verklaring van [gedaagde] , verkopen om onder andere de huur van de huurders te dekken. Gezien het feit dat niet zeker was of [persoon A] toestemming had om de hometrainers te verkopen, [eiser] niet wist wie de eigenaar van de hometrainers was, de lage verkoopprijs en de afgelegen locatie waarop de hometrainers geleverd werden, had [gedaagde] nader onderzoek moeten doen. Dat [gedaagde] naar eigen zeggen op internet heeft gekeken of de hometrainers van diefstal afkomstig zijn, is in dit geval onvoldoende. Juist nu uit de stellingen van [gedaagde] blijkt dat er bij hem twijfel bestond, had hij meer onderzoek moeten verrichten.
2.14.
Nu [gedaagde] geen beroep op artikel 3:86 lid 1 BW toekomt, heeft hij de hometrainers niet aan [eiser] overgedragen en is hij daarmee tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Nu [gedaagde] zijn hoofdverplichting op grond van de koopovereenkomst niet is nagekomen (artikel 7:9 BW), rechtvaardigt deze tekortkoming ontbinding van de koopovereenkomst (artikel 7:265 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
2.15.
De gevorderde rente uit artikel 6:119a BW wordt afgewezen, nu de vordering van [eiser] is gebaseerd op een ongedaanmakingsverbintenis en niet op een verbintenis uit overeenkomst. De rente uit artikel 6:119 BW is wel toewijsbaar. Aan de stelling van [gedaagde] dat hij niet in verzuim is, gaat de kantonrechter voorbij. [gedaagde] is in verzuim omdat [eiser] hem op 19 juli 2024 een aanmaning heeft gestuurd en [gedaagde] de ontvangst daarvan niet heeft betwist. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] vanaf 14 dagen na 19 juli 2024 in verzuim is. [gedaagde] moet daarom de rente conform artikel 6:119 BW betalen over een bedrag van € 9.000,00 vanaf 3 augustus 2024 tot de dag dat volledig is betaald. Voor de rente vanaf een eerdere datum is geen deugdelijke grondslag gesteld.
Geen incassokosten
2.16.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Nu de hoofdsom niet is gebaseerd op een verbintenis uit overeenkomst, maar op een ongedaanmakingsverbintenis moet de verschuldigdheid van de BIK worden vastgesteld aan de hand van Rapport Voorwerk II en dus worden beoordeeld aan de hand van de dubbele redelijkheidstoets. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, als zij betrekking hebben op werkzaamheden die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [eiser] heeft niet gesteld dat er meer werkzaamheden zijn uitgevoerd dan die om deze procedure voor te bereiden (artikel 241 Rv) en uit de omschrijving van de door [eiser] verrichte werkzaamheden kan worden afgeleid dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.17.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 113,54 aan dagvaardingskosten, € 706,00 aan griffierecht, € 676,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 338,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal
€ 1.630,54. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Het meer gevorderde aan proceskosten wordt afgewezen, omdat hier geen deugdelijke grondslag voor bestaat. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen
2.18.
De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen, omdat [eiser] niet heeft toegelicht welk belang hij daarbij heeft naast de toewijsbare eis tot veroordeling van [gedaagde] om de koopsom terug te betalen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.19.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.