Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-06-03
ECLI:NL:RBROT:2025:6598
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,688 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9322
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit Rotterdam, eiser,
(gemachtigde: mr. M. Kaplan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [naam 1]).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de omzetting van de op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (loongerelateerde WGA-uitkering) naar een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid in de categorie 45% tot 55%. Eiser is het niet eens met het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft bepaald dat eiser per 5 maart 2023 recht heeft op een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid in de categorie 45% tot 55%. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Met het besluit van 21 december 2022 (het primaire besluit) heeft het UWV de loongerelateerde WGA-uitkering per 5 maart 2023 (datum in geding) omgezet naar een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45% tot 55%, te weten 51%.
3.1.
Met het besluit van 29 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Het UWV heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat eiser vanaf 5 maart 2023 54,92% arbeidsongeschikt is.
3.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.4.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
3.5.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 2] (een tolk in de Turkse taal) en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het besluit
4. Eiser, laatstelijk werkzaam als steigerbouwer, heeft zich op 20 maart 2020 ziek gemeld voor dit werk vanwege belemmerende gezondheidsklachten.
4.1.
Op 28 december 2021 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 25 maart 2022 heeft het UWV aan eiser een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 51%. Eiser ontvangt deze uitkering voor de periode van 18 maart 2022 tot en met 4 maart 2023.
4.2.
Met het primaire besluit van 21 december 2022 heeft het UWV eiser laten weten dat de loongerelateerde WGA-uitkering per 5 maart 2023 verandert in een WGA-vervolguitkering. Eiser heeft hiertegen op 21 februari 2023 bezwaar gemaakt.
4.3.
Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit heeft de verzekeringsarts een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. In het rapport van 26 maart 2024 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat per 5 maart 2023 geen verslechtering van de medische belastbaarheid van eiser kan worden aangetoond en dat de belastbaarheid daarom onveranderd moet worden geacht. Ten behoeve van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid is op 26 maart 2024 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 5 maart 2023.
Met inachtneming van de belastbaarheid conform de FML en de bekwaamheden van eiser, heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 11 april 2024 een aantal functies geduid, namelijk Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), Assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) en Lader/losser (SBC-code 111220). Aanvullend wordt eiser geschikt geacht voor de functies Snackbereider (handmatig) (SBC-code 111071) en Textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160). De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van het maatmanloon berekend op 49,24%.
4.4.
Naar aanleiding van het aanvullend bezwaarschrift dat eiser heeft ingediend, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van de heroverweging geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire oordeel van de verzekeringsarts.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 28 augustus 2024 geconcludeerd dat aanleiding bestaat om van het primaire oordeel van de arbeidsdeskundige af te wijken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft alle functies laten vervallen, omdat de functies Productiemedewerker industrie, Snackbereider en Assemblagemedewerker per de datum in geding niet meer actueel zijn, eiser zich in de functie van Textielproductenmaker niet kan vertreden en eiser in de functie van Lader/losser in totaal meer dan vier uur per werkdag moet staan en lopen, waardoor deze laatstgenoemde twee functies de belastbaarheid van eiser overschrijden. Om die reden heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nieuwe passende functies geduid die (nagenoeg) overeenkomen met de eerder geduide functies, maar waarbij eiser wel binnen zijn belastbaarheid blijft. Het gaat om de functies: Wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053), Inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) en Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), Snackbereider (handmatig) (SBC-code 111071) en Medewerker binderij (grafisch medewerker) (SBC-code 268030). De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid, op basis van het maatmanloon en afgezet tegen de nieuwe mediaan, berekend op 54,92%. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
Standpunt eiser
5. In beroep voert eiser – kort samengevat – aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig heeft plaatsgevonden, omdat hij tweemaal is onderzocht door dezelfde verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afgezien van een fysiek spreekuur. Daarnaast heeft eiser meer beperkingen dan zijn aangenomen in de FML. Eiser ervaart al jarenlang rugklachten als gevolg van meerdere hernia’s met pijnuitstraling naar de benen, knieën, schouders, nek, hoofd en handen. Op het gebied van zicht, bukken, torderen, zitten, staan, getordeerd actief zijn, duwen, tillen, (trap)lopen, trekken en buigen hadden (meer) beperkingen moeten worden aangenomen. Eiser heeft naast zijn fysieke klachten ook psychische klachten en hierdoor ervaart hij ook vermoeidheidsklachten. Ten onrechte is geen urenbeperking aangenomen, terwijl dit wel in het primaire onderzoek is geïndiceerd omdat de verzekeringsarts van oordeel is dat eiser vanwege zijn beperkingen niet in staat is om 40 uur per week te werken, aldus eiser. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende gemotiveerd waarom geen urenbeperking is aangenomen. Eiser betwist dan ook dat de geduide functies passend zijn en stelt dat de functies vanwege zijn beperkingen en zijn scholing en taalniveau voor hem niet uitvoerbaar zijn. Gelet op zijn beperkingen, is sprake van een volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en stelt hij in aanmerking te moeten komen voor een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten-uitkering (IVA-uitkering).
Toetsingskader
6. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
7. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser terecht met ingang van 5 maart 2023 heeft vastgesteld op 54,92%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is de geduide functies te verrichten.
Zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek
8. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op de bestudering van de dossiergegevens, de bestudering van het bezwaarschrift, de aanvullende bezwaargronden en informatie van derden die verkregen is tijdens de bezwaarprocedure.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser per einde wachttijd, voorafgaand aan de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering per 18 maart 2022, het spreekuur van een geregistreerd verzekeringsarts heeft bezocht. Nadat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de omzetting van zijn loongerelateerde WGA-uitkering naar een vervolguitkering bij het primaire besluit, heeft het UWV een herbeoordeling uitgevoerd. Hiervoor heeft eiser nogmaals het spreekuur van diezelfde verzekeringsarts bezocht. De rechtbank benadrukt dat het hier gaat om twee verschillende beoordelingsmomenten, uitgevoerd door dezelfde verzekeringsarts, waarvan het eerste beoordelingsmoment, namelijk de beoordeling per einde wachttijd, hier niet in geschil is. In geschil is het tweede beoordelingsmoment, namelijk het sociaal-medisch oordeel per de datum in geding. Na dit tweede beoordelingsmoment door een primaire verzekeringsarts, heeft een (andere) verzekeringsarts bezwaar en beroep het volledige dossier bestudeerd en zijn oordeel hierover gegeven.
Nu er in de primaire fase een spreekuurcontact met een geregistreerd verzekeringsarts heeft plaatsgevonden en in bezwaar een verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het dossier heeft gekeken en daarbij alle informatie die voorhanden was heeft meegewogen in zijn oordeel, is de rechtbank van oordeel dat een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. Van onzorgvuldigheid is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Medische beoordeling
9. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, geeft geen reden om het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 22 augustus 2024 gemotiveerd toegelicht dat de ingebrachte bezwaren van eiser niet leiden tot aanpassing van het door de primaire verzekeringsarts ingenomen standpunt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat op de datum in geding geen aanleiding bestaat om volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden aan te nemen, omdat op eiser geen van de uitzonderingssituaties aan de orde is zoals genoemd in het Schattingsbesluit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconstateerd dat eiser niet de gehele dag kan staan en lopen en bij het te lang zitten de gelegenheid moet hebben om naar eigen keuze te kunnen zitten, te staan en/of zelf te kunnen vertreden. Deze beperkingen zijn opgenomen in de FML van 23 augustus 2024, die geldig is vanaf 5 maart 2023. De rechtbank constateert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook rekening heeft gehouden met de beperkingen op het gebied van buigen, gebogen en/of getordeerd actief zijn, duwen, tillen en trekken. De rugklachten van eiser zijn hiermee voldoende ondervangen in de FML. Over het torderen heeft de primaire verzekeringsarts in zijn rapport van 13 januari 2022 afdoende toegelicht dat hij heeft geconstateerd dat eiser bij het lichamelijk onderzoek normaal kan torderen, zodat geen aanleiding bestaat om hiervoor een beperking aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende toegelicht dat hij, op basis van informatie verkregen van de huisarts, de radioloog, de neuroloog en de neurochirurg en het lichamelijk onderzoek door de primaire verzekeringsarts, geen andere afwijkingen en/of bewegingsbeperkingen heeft kunnen afleiden. Ook heeft hij afdoende toegelicht dat er geen onderbouwing is om aanvullende en/of andere beperkingen voor de rug, voor de aambeien en voor de gestelde psychische klachten van eiser aan te nemen. Ten aanzien van de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd uiteengezet dat op het spreekuur van de primaire verzekeringsarts, ondanks dat de behandelingen bij de psycholoog niet zijn afgerond en de medicatie gestaakt is, geen psychopathologie is waargenomen, waardoor op de datum in geding geen aanleiding bestaat voor een ernstig psychiatrisch ziektebeeld waarvoor duurzame beperkingen geïndiceerd moeten worden in het persoonlijk en sociaal functioneren. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat er geen medische indicatie bestaat om een urenbeperking aan te nemen, omdat er op de datum in geding geen sprake is van structureel verminderde belastbaarheid door het moeten ondergaan van een voorgeschreven behandeling, van een ernstige aandoening waarvan bekend is dat die gepaard gaat met sterk energieverlies, er geen noodzaak is tot structurele extra recuperatie overdag, er preventief ook geen verminderde belastbaarheid noodzakelijk is en ook het gepresenteerde activiteitenniveau geen aanleiding geeft om een urenbeperking aan te nemen. Anders dan eiser stelt, ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten waaruit zou kunnen blijken dat de primaire verzekeringsarts een urenbeperking heeft geïndiceerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de FML ook geen urenbeperking is opgenomen.
9.1.
Gelet op het voorgaande heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank uitdrukkelijk en afdoende rekening gehouden met de geobjectiveerde beperkingen van eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser geen (nieuwe) medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat eiser op 5 maart 2023 meer beperkingen had dan die reeds zijn opgenomen in de FML van 23 augustus 2024.
Arbeidsdeskundige beoordeling
10. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat de beperkingen in de FML van 23 augustus 2024 juist zijn vastgesteld. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden en beperkingen van eiser uit de FML overschrijdt. Om die reden kan hetgeen eiser heeft aangevoerd over de geschiktheid van de geduide functies niet slagen, nu dit is gebaseerd op het standpunt dat eiser minder functionele mogelijkheden heeft dan het UWV heeft aangenomen.
11. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 54,92%.
Conclusie
12. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Op grond van artikel 60, eerste lid, van de Wet WIA bestaat de WGA-uitkering, indien de duur van de loongerelateerde uitkering van deze uitkering is verstreken of als gevolg van artikel 54, vierde lid, geen aanspraak heeft bestaan op deze uitkering, uit:
a. een loonaanvullingsuitkering voor de verzekerde die per kalendermaand een inkomen verdient dat ten minste gelijk is aan de inkomenseis, bedoeld in het tweede lid of voor wie op grond van het derde lid geen inkomenseis geldt; of
b. een vervolguitkering.
Op grond van artikel 62, eerste lid, in verbinding met artikel 61, zesde lid, van de Wet WIA hangt de hoogte van de WGA-vervolguitkering af van de mate van arbeidsongeschiktheid.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.