Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-18
ECLI:NL:RBROT:2025:6556
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,912 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10297169 CV EXPL 23-2482
datum uitspraak: 18 april 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.R. Chel,
tegen
[gedaagde]
,
vestigingsplaats: Vlaardingen,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N. Bakker.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 17 januari 2023, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de brief van de gemachtigde van [eiseres] van 17 juli 2023, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van [eiseres] ;
de spreekaantekeningen van [gedaagde] ;
het proces-verbaal van de zitting op 19 juli 2023;
de akte bewijslevering van [eiseres] van 6 september 2023;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 12 december 2023;
de akte uitlating contra-enquête van [gedaagde] van 25 januari 2024;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor (contra-enquête) van 2 oktober 2024;
de akte van [gedaagde] van 24 oktober 2024;
de conclusie na enquête van [eiseres] van 16 januari 2025;
de antwoordconclusie na enquête van [gedaagde] van 13 maart 2025.
1.2.
Op 19 juli 2023 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens [eiseres] aanwezig [naam 1] (directeur) en [naam 2] (voormalig operationeel manager bij [gedaagde] ), vergezeld door zijn vrouw en zoon ( [naam 3] en [naam 4] ), bijgestaan door mr. Chel. Namens [gedaagde] was aanwezig [naam 5] (hoofd bedrijfsbureau), bijgestaan door mr. Bakker.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Tussen [eiseres] en [gedaagde] heeft een overeenkomst bestaan, op grond waarvan [gedaagde] (steigerbouw)personeel heeft ingehuurd van [eiseres] . Dit geschil gaat over het tarief voor het inhuren van twee man personeel door [gedaagde] in de jaren 2020 en 2021. [eiseres] heeft voor dit personeel achteraf, op 4 augustus 2021, het ‘voormantarief’ in rekening gebracht in plaats van het eerder gerekende normale tarief. Het verschil tussen beide tarieven levert over het jaar 2020 een nota op van € 9.174,65 (factuurnummer 20210061) en voor het jaar 2021 van € 8.160,50 (factuurnummer 20210062). [gedaagde] heeft deze facturen niet betaald. [eiseres] vordert in deze procedure betaling van het totaal van de factuurbedragen à € 17.335,15, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten.
2.2.
De (enige) vraag die moet worden beantwoord, is of partijen hebben afgesproken dat [eiseres] voor de personen om wie het gaat het voormantarief bij [gedaagde] in rekening zou brengen. Volgens [eiseres] is dit het geval; [gedaagde] betwist die afspraak. Omdat het [eiseres] is die zich op nakoming van de afspraak beroept, heeft de kantonrechter [eiseres] opgedragen om te bewijzen dat [eiseres] met [gedaagde] een aanvullend voormantarief is overeengekomen voor de werkzaamheden waarop de facturen 20210061 en 20210062 betrekking hebben.
2.3.
[eiseres] heeft twee getuigen laten horen, namelijk [naam 2] en [naam 6] . Grouw is werkzaam geweest bij [gedaagde] als operationeel manager. [naam 6] is tot eind 2020 directie steigerbouw geweest bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft in de contra-enquête [naam 5] en [naam 7] laten horen. [naam 5] is sinds 9 januari 2017 in dienst van [gedaagde] . Van 2017 tot en met 2020 werkte hij als supply chain manager en sinds januari 2021 als business unit manager steigerbouw (nu: manager bedrijfsbureau). [naam 7] heeft tussen 2018 en 2023 voor [gedaagde] gewerkt als directiesecretaresse en administratief medewerker (in de jaren 2020 en 2021).
[eiseres] is niet geslaagd in de gegeven bewijsopdracht
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] er niet in is geslaagd te bewijzen dat met [gedaagde] is overeengekomen dat voor de werkzaamheden die hebben geleid tot facturen 20210061 en 20210062 aanvullend een voormantarief is overeengekomen. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
2.5.
Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 6] volgt dat er volgens hen tussen [eiseres] en [gedaagde] een afspraak bestond over de procedure die gevolgd werd bij de (tijdelijke) inzet van personeel als voorman. Die procedure hield in dat [naam 2] aan zijn leidinggevende [naam 6] toestemming vroeg voor de inzet van personeel als voorman. Dat verzoek werd per e-mail gedaan en [naam 6] gaf daar (volgens zijn eigen verklaring) per e-mail antwoord op. [eiseres] gaf achteraf aan [naam 2] door om welke uren en welke namen het in een bepaalde periode ging. Vervolgens maakte [naam 2] , op basis van een volgens hem met [naam 5] gemaakte afspraak, achteraf een inkooporder op voor de desbetreffende periode. [naam 2] stuurde de inkooporder aan [eiseres] zodat zij die kon gebruiken voor de facturatie. Een kopie van de inkooporder zond hij aan [naam 5] . Eind 2020 is [naam 2] ziek geworden en vanaf die tijd was het [naam 5] die de inkooporders moest opmaken.
2.6.
[naam 5] verklaart dat als sprake is van een inzet op langere termijn van een ingeleend personeelslid als voorman, dit direct op de juiste manier in het systeem wordt verwerkt en het daarbij behorende tarief wordt toegepast. De procedure voor een tijdelijke inzet, van enkele weken, houdt in dat een inkooporder wordt opgemaakt. Zo’n tijdelijke inzet is uitzonderlijk en is slechts één keer voorgekomen tussen [eiseres] en [gedaagde] . [naam 5] verklaart dat voor de werkzaamheden waarop de facturen die [eiseres] op 4 augustus 2021 heeft gestuurd, geen inkooporder is teruggevonden in het systeem. Zulke inkooporders werden kort na de inzet opgemaakt. Ook verklaart hij dat er geen melding is gemaakt van een tijdelijke inzet als voorman vanuit een andere functie, niet mondeling en niet per e-mail. [naam 7] heeft bevestigd dat als er iets niet juist was aan de uren die wekelijks werden ingediend, dit veelal in dezelfde week nog werd gecorrigeerd.
2.7.
Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 6] blijkt niet dat voor de specifieke inzet waar facturen 20210061 en 20210062 over gaan destijds deze procedure is gevolgd en inderdaad een inkooporder is opgemaakt en naar [eiseres] is gestuurd. [naam 5] heeft in de administratie van [gedaagde] ook geen enkel document teruggevonden waaruit de gestelde afspraak blijkt. Uit zijn verklaring volgt bovendien dat geen sprake kan zijn geweest van een tijdelijke inzet als voorman waarvoor facturatie op basis van een inkooporder zou hebben plaatsgevonden, omdat de aangepaste inzet van de desbetreffende personeelsleden als voorman vanuit een andere functie al(volgens de gemaakt afspraken) in het systeem zou moeten zijn verwerkt. Tot slot volgt uit de verklaringen van [naam 5] en [naam 7] dat correcties altijd heel snel na het inleveren van de urenstaten werden gedaan, zodat niet aannemelijk is dat partijen hebben afgesproken om voor deze specifieke inzet het voormantarief te hanteren. Dan zou dat immers niet tot (kort voor) 4 augustus 2021 onopgemerkt zijn gebleven. [gedaagde] heeft met de verklaring van [naam 5] de stelling van [eiseres] dat een afspraak voor deze inzet tegen voormantarief zou zijn gemaakt, dan ook voldoende ontkracht.
2.8.
Omdat de gestelde afspraak niet door [eiseres] is bewezen, is er geen grondslag voor haar vordering om [gedaagde] te veroordelen de facturen van 4 augustus 2021 te betalen. Die vordering wordt afgewezen. De nevenvorderingen betreffende de rente en buitengerechtelijke kosten treffen hetzelfde lot en worden ook afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 1.624,- aan salaris voor de gemachtigde (4 punten × € 406,-), € 30,- aan getuigentaxe en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.789,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat eist en [eiseres] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.789,-;
3.3.
verklaart dit vonnis wat de veroordeling onder 3.2 betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
51909
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10297169 CV EXPL 23-2482
datum uitspraak: 18 april 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.R. Chel,
tegen
[gedaagde]
,
vestigingsplaats: Vlaardingen,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N. Bakker.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 17 januari 2023, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de brief van de gemachtigde van [eiseres] van 17 juli 2023, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van [eiseres] ;
de spreekaantekeningen van [gedaagde] ;
het proces-verbaal van de zitting op 19 juli 2023;
de akte bewijslevering van [eiseres] van 6 september 2023;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 12 december 2023;
de akte uitlating contra-enquête van [gedaagde] van 25 januari 2024;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor (contra-enquête) van 2 oktober 2024;
de akte van [gedaagde] van 24 oktober 2024;
de conclusie na enquête van [eiseres] van 16 januari 2025;
de antwoordconclusie na enquête van [gedaagde] van 13 maart 2025.
1.2.
Op 19 juli 2023 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens [eiseres] aanwezig [naam 1] (directeur) en [naam 2] (voormalig operationeel manager bij [gedaagde] ), vergezeld door zijn vrouw en zoon ( [naam 3] en [naam 4] ), bijgestaan door mr. Chel. Namens [gedaagde] was aanwezig [naam 5] (hoofd bedrijfsbureau), bijgestaan door mr. Bakker.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Tussen [eiseres] en [gedaagde] heeft een overeenkomst bestaan, op grond waarvan [gedaagde] (steigerbouw)personeel heeft ingehuurd van [eiseres] . Dit geschil gaat over het tarief voor het inhuren van twee man personeel door [gedaagde] in de jaren 2020 en 2021. [eiseres] heeft voor dit personeel achteraf, op 4 augustus 2021, het ‘voormantarief’ in rekening gebracht in plaats van het eerder gerekende normale tarief. Het verschil tussen beide tarieven levert over het jaar 2020 een nota op van € 9.174,65 (factuurnummer 20210061) en voor het jaar 2021 van € 8.160,50 (factuurnummer 20210062). [gedaagde] heeft deze facturen niet betaald. [eiseres] vordert in deze procedure betaling van het totaal van de factuurbedragen à € 17.335,15, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten.
2.2.
De (enige) vraag die moet worden beantwoord, is of partijen hebben afgesproken dat [eiseres] voor de personen om wie het gaat het voormantarief bij [gedaagde] in rekening zou brengen. Volgens [eiseres] is dit het geval; [gedaagde] betwist die afspraak. Omdat het [eiseres] is die zich op nakoming van de afspraak beroept, heeft de kantonrechter [eiseres] opgedragen om te bewijzen dat [eiseres] met [gedaagde] een aanvullend voormantarief is overeengekomen voor de werkzaamheden waarop de facturen 20210061 en 20210062 betrekking hebben.
2.3.
[eiseres] heeft twee getuigen laten horen, namelijk [naam 2] en [naam 6] . Grouw is werkzaam geweest bij [gedaagde] als operationeel manager. [naam 6] is tot eind 2020 directie steigerbouw geweest bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft in de contra-enquête [naam 5] en [naam 7] laten horen. [naam 5] is sinds 9 januari 2017 in dienst van [gedaagde] . Van 2017 tot en met 2020 werkte hij als supply chain manager en sinds januari 2021 als business unit manager steigerbouw (nu: manager bedrijfsbureau). [naam 7] heeft tussen 2018 en 2023 voor [gedaagde] gewerkt als directiesecretaresse en administratief medewerker (in de jaren 2020 en 2021).
[eiseres] is niet geslaagd in de gegeven bewijsopdracht
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] er niet in is geslaagd te bewijzen dat met [gedaagde] is overeengekomen dat voor de werkzaamheden die hebben geleid tot facturen 20210061 en 20210062 aanvullend een voormantarief is overeengekomen. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
2.5.
Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 6] volgt dat er volgens hen tussen [eiseres] en [gedaagde] een afspraak bestond over de procedure die gevolgd werd bij de (tijdelijke) inzet van personeel als voorman. Die procedure hield in dat [naam 2] aan zijn leidinggevende [naam 6] toestemming vroeg voor de inzet van personeel als voorman. Dat verzoek werd per e-mail gedaan en [naam 6] gaf daar (volgens zijn eigen verklaring) per e-mail antwoord op. [eiseres] gaf achteraf aan [naam 2] door om welke uren en welke namen het in een bepaalde periode ging. Vervolgens maakte [naam 2] , op basis van een volgens hem met [naam 5] gemaakte afspraak, achteraf een inkooporder op voor de desbetreffende periode. [naam 2] stuurde de inkooporder aan [eiseres] zodat zij die kon gebruiken voor de facturatie. Een kopie van de inkooporder zond hij aan [naam 5] . Eind 2020 is [naam 2] ziek geworden en vanaf die tijd was het [naam 5] die de inkooporders moest opmaken.
2.6.
[naam 5] verklaart dat als sprake is van een inzet op langere termijn van een ingeleend personeelslid als voorman, dit direct op de juiste manier in het systeem wordt verwerkt en het daarbij behorende tarief wordt toegepast. De procedure voor een tijdelijke inzet, van enkele weken, houdt in dat een inkooporder wordt opgemaakt. Zo’n tijdelijke inzet is uitzonderlijk en is slechts één keer voorgekomen tussen [eiseres] en [gedaagde] . [naam 5] verklaart dat voor de werkzaamheden waarop de facturen die [eiseres] op 4 augustus 2021 heeft gestuurd, geen inkooporder is teruggevonden in het systeem. Zulke inkooporders werden kort na de inzet opgemaakt. Ook verklaart hij dat er geen melding is gemaakt van een tijdelijke inzet als voorman vanuit een andere functie, niet mondeling en niet per e-mail. [naam 7] heeft bevestigd dat als er iets niet juist was aan de uren die wekelijks werden ingediend, dit veelal in dezelfde week nog werd gecorrigeerd.
2.7.
Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 6] blijkt niet dat voor de specifieke inzet waar facturen 20210061 en 20210062 over gaan destijds deze procedure is gevolgd en inderdaad een inkooporder is opgemaakt en naar [eiseres] is gestuurd. [naam 5] heeft in de administratie van [gedaagde] ook geen enkel document teruggevonden waaruit de gestelde afspraak blijkt. Uit zijn verklaring volgt bovendien dat geen sprake kan zijn geweest van een tijdelijke inzet als voorman waarvoor facturatie op basis van een inkooporder zou hebben plaatsgevonden, omdat de aangepaste inzet van de desbetreffende personeelsleden als voorman vanuit een andere functie al(volgens de gemaakt afspraken) in het systeem zou moeten zijn verwerkt. Tot slot volgt uit de verklaringen van [naam 5] en [naam 7] dat correcties altijd heel snel na het inleveren van de urenstaten werden gedaan, zodat niet aannemelijk is dat partijen hebben afgesproken om voor deze specifieke inzet het voormantarief te hanteren. Dan zou dat immers niet tot (kort voor) 4 augustus 2021 onopgemerkt zijn gebleven. [gedaagde] heeft met de verklaring van [naam 5] de stelling van [eiseres] dat een afspraak voor deze inzet tegen voormantarief zou zijn gemaakt, dan ook voldoende ontkracht.
2.8.
Omdat de gestelde afspraak niet door [eiseres] is bewezen, is er geen grondslag voor haar vordering om [gedaagde] te veroordelen de facturen van 4 augustus 2021 te betalen. Die vordering wordt afgewezen. De nevenvorderingen betreffende de rente en buitengerechtelijke kosten treffen hetzelfde lot en worden ook afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 1.624,- aan salaris voor de gemachtigde (4 punten × € 406,-), € 30,- aan getuigentaxe en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.789,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat eist en [eiseres] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.789,-;
3.3.
verklaart dit vonnis wat de veroordeling onder 3.2 betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
51909