Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-07
ECLI:NL:RBROT:2025:6195
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,690 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11311377 CV EXPL 24-23640
datum uitspraak: 7 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Onderlinge Waarborgmaatschappij DSW Zorgverzekeraar U.A.,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘DSW’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 3 september 2024, met bijlagen;
het mondelinge antwoord, met de nadien overgelegde bijlagen;
de repliek, tevens akte vermindering van eis, met bijlagen.
1.2.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, maar heeft dat niet gedaan. De zaak is voor vonnis komen te staan. De datum van de uitspraak is bepaald op vandaag.
Beoordeling
Waar gaat het om?
2.1.
[gedaagde] is voor ziektekosten verzekerd bij DSW. Zij heeft een aantal bij haar in rekening gebrachte bedragen niet betaald aan DSW, ook niet na daartoe te zijn aangemaand. Daarom heeft DSW haar gedagvaard. Aanvankelijk is geëist [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan DSW van € 1.107,81 met rente over de hoofdsom van € 975,- vanaf de dag van de dagvaarding.
2.2.
Het bedrag van € 1.107,81 bestaat uit:
Hoofdsom € 975,-
Buitengerechtelijke incassokosten € 136,50
Btw € 28,67
Rente tot aan de dag van de dagvaarding € 32,64
-------------
Subtotaal € 1.172,81
Waarop in mindering strekt i.v.m. betaling door [gedaagde] € 65,- -/-
-------------
Saldo ten tijde van dagvaarding € 1.107,81
2.3.
DSW heeft haar eis verminderd omdat [gedaagde] op 6 september 2024 € 200,- heeft betaald.
2.4.
[gedaagde] voert aan nogmaals € 200,- te hebben betaald, maar dat heeft DSW weersproken en uit de door [gedaagde] overgelegde stukken blijkt niet dat het bedrag bijgeschreven is op de bankrekening van (de gemachtigde van) DSW. Daarom wordt daarmee geen rekening gehouden bij het oordeel van de kantonrechter over de eis.
2.5.
Uit de wet volgt dat de betaling van € 200,- in de eerste plaats in mindering komt op de incassokosten, vervolgens op de verschenen rente, en ten slotte op de hoofdsom en de lopende rente (artikel 6:44 BW). Hierna worden deze posten besproken.
De incassokosten
2.6.
Anders dan geëist kan als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten slechts het bedrag van € 128,56 worden gerekend. Dit is het bedrag van € 106,25 plus € 22,31 btw, welke bedragen staan in de brief van 24 juli 2024 (bijlage 2 bij de dagvaarding). Met die brief heeft [gedaagde] de kans gekregen om alsnog zonder extra kosten te betalen. Geen brief is overgelegd waaruit het geëiste bedrag van € 165,17 herleid kan worden. Onduidelijk is waarop dat bedrag is gebaseerd. Met de betaling van [gedaagde] van € 200,- zijn de incassokosten van € 128,56 inmiddels volledig voldaan.
De tot aan de dagvaarding verschenen rente
2.7.
Het bedrag van € 32,64 aan verschenen rente tot aan de dag van de dagvaarding is niet betwist en daarom toewijsbaar. Met de betaling van [gedaagde] van € 200,- is de verschenen rente van € 32,64 inmiddels volledig voldaan.
De resterende hoofdsom en de lopende rente
2.8.
Als van het bedrag van € 200,- de bedragen van € 128,56 en € 32,64 worden afgetrokken, dan blijft het bedrag van € 38,80 over dat in mindering strekt op de hoofdsom. Daarmee rekening houdend bedraagt de resterende hoofdsom:
Hoofdsom (oorspronkelijk) € 975,-
Waarop in mindering strekt i.v.m. betalingen door [gedaagde] € 65,- -/-
€ 38,80 -/-
-------------
Resterende hoofdsom € 871,20
2.9.
Het bedrag van € 871,20 aan resterende hoofdsom wordt toegewezen, want [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat dit bedrag nog open staat. Daarbij komt nog de wettelijke rente. Het gaat om de rente over € 910,- (de oorspronkelijk gevorderde hoofdsom van € 975,- minus € 65,-) vanaf 3 september 2024 tot 6 september 2024 en om de rente over € 871,20 vanaf 6 september 2024 tot de dag dat volledig is betaald.
Proceskosten
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt de kosten die [gedaagde] aan DSW moet betalen vast op € 137,38 aan dagvaardingskosten, € 328,- aan griffierecht, € 270,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 135,-) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 802,88. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat DSW dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan DSW te betalen:
de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 910,- vanaf 3 september 2024 tot 6 september 2024;
€ 871,20 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 6 september 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van DSW worden vastgesteld op € 802,88;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
465