Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-17
ECLI:NL:RBROT:2025:6118
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,642 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11231244 CV EXPL 24-18523
datum uitspraak: 17 januari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
woonplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. H.J. van Smaalen,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 28 juni 2024, met bijlagen;
het antwoord.
1.2.
Op 27 november 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiseres] , met hulp van de tolk Slowaaks D. Dijkstra, en mr. Van Smaalen en zijn collega mr. A.C.S. Vegt, en met [gedaagde] .
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiseres] eist een drietal verklaringen voor recht, namelijk - kort gezegd - dat zij
€ 232,50 aan servicekosten verschuldigd was in de periode van 25 mei 2020 tot
31 december 2022, dat [gedaagde] terzake hiervan € 1.982,50 te veel in rekening heeft gebracht en dit bedrag in mindering strekt op het door huurder(s) aan [gedaagde] verschuldigde over deze periode, en dat [eiseres] de bevoegdheid heeft om het bedrag van € 1.982,50 te verrekenen met wat zij aan [gedaagde] verschuldigd is. [gedaagde] is het hiermee niet eens. De eisen worden afgewezen.
Wat is er gebeurd?
2.2.
[eiseres] heeft in de periode van 25 mei 2020 tot 31 december 2022 van [gedaagde] gehuurd de woning in de [adres] te Rotterdam. Ene [persoon A] woonde ook in de woning.
2.3.
In die periode is [gedaagde] de gerechtelijke procedure met zaaknummer 9866252 CV EXPL 22-14211 begonnen tegen [eiseres] en [persoon A] .
2.4.
Hangende die procedure zijn partijen overeengekomen dat de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] wordt beëindigd per 31 december 2022 en dat [eiseres] het gehuurde uiterlijk op die datum ontruimt. [persoon A] heeft verklaard geen aanspraak te maken dan wel te hebben op huurrechten ten aanzien van het gehuurde. Dit is opgenomen in een vaststellingsovereenkomst.
2.5.
In die procedure is vervolgens op 21 juli 2023 tussenvonnis en op 30 augustus 2024 eindvonnis gewezen.
Wat vindt de kantonrechter
2.6.
De kantonrechter wijst de eisen af, want vastgesteld wordt dat over wat [eiseres] eist in deze zaak al een eindbeslissing genomen is in het tussenvonnis van 21 juli 2023.
2.7.
In het tussenvonnis zijn onder meer [eiseres] en [persoon A] hoofdelijk veroordeeld om € 2.505,68 aan huurachterstand te betalen aan [gedaagde] . Hierover valt het volgende te lezen in het lichaam van dat vonnis:
“Servicekosten
2.20.
Ten aanzien van de in de huurovereenkomst onder 4.4. opgenomen bepaling met betrekking tot servicekosten hebben [eiseres] c.s. verzocht om vernietiging, althans te bepalen dat [eiseres] c.s. niet aan deze bepaling gehouden zijn en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 4.430,00 aan onverschuldigd betaalde voorschotten servicekosten.
2.21.
[eiseres] c.s. hebben daartoe aangevoerd dat zij op grond van de
huurovereenkomst een voorschot wegens onderhoud cv, witgoed en stoffering hebben betaald, van € 50,- per maand voor het eerste jaar en € 85,- per maand daarna. Volgens [eiseres] c.s. is er in het geheel geen service verleend ter zake onderhoud cv, witgoed en stoffering en hebben zij daarom tot en met november 2022 ten onrechte een bedrag van € 2.215,- betaald. Voorts hebben [eiseres] c.s. een voorschot servicekosten betaald van € 50,- per maand voor het eerste jaar en
€ 85,- per maand daarna. [eiseres] c.s. hebben dit bedrag onverschuldigd betaald, indien wordt geoordeeld dat zij zelf een energiecontract moesten sluiten. Dat de servicekosten onverschuldigd zijn betaald geldt volgens [eiseres] c.s. te meer omdat [gedaagde] op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat die
servicekosten bedoeld waren als spaarpot voor herstel van (eventuele) schade in de woning.
2.22.
De kantonrechter overweegt dat een verhuurder servicekosten in rekening mag
brengen voor diensten en leveringen aan de huurder. Als een verhuurder de rekeningen voorschiet voor gas, water en elektra, de woonruimte heeft gemeubileerd, onderhoud doet dat wettelijk voor rekening van de huurder is of het trappenhuis schoonmaakt, mag hij de kosten van deze service aan de huurder doorberekenen. Uit de huurovereenkomst blijkt dat [gedaagde] en [eiseres] c.s. voor “onderhoud cv, witgoed, meubels en stoffering” een bedrag van € 50,- per maand zijn overeengekomen, welk bedrag in het tweede jaar is verhoogd naar € 85,- per maand en voorts dat voor “servicekosten” een bedrag van € 50,- per maand is overeengekomen, welk bedrag in het tweede jaar is verhoogd naar € 85,- per
maand.
2.23.
Hoewel [eiseres] c.s. gelijk hebben dat [gedaagde] geen service heeft verleend ter zake onderhoud cv, omdat in de huurovereenkomst onder 6.1. uitdrukkelijk is opgenomen dat cv onderhoud voor rekening van de huurder is, heeft [gedaagde] de woning wel gemeubileerd, gestoffeerd en voorzien van witgoed. Op de foto’s die partijen van de woning in het geding hebben gebracht is te zien dat de woning is voorzien van een wasmachine, een koelkast, een kookplaat, vloerbedekking, een bankstel, diverse kasten en raambekleding. Ten aanzien van deze voorzieningen heeft [gedaagde] dan ook het bedrag van aanvankelijk
€ 50,- en later € 85,- per maand in rekening mogen brengen, zoals opgenomen in de
huurovereenkomst.
2.24.
Ten aanzien van het andere bedrag dat partijen voor “servicekosten” zijn
overeengekomen, heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat dit bedoeld was om een spaarpot op te bouwen om (eventuele) schade in de woning te herstellen. Gelet op deze toelichting vallen deze kosten niet onder de servicekosten die een verhuurder aan de huurder mag doorberekenen. Voor herstel en of vergoeding van schade die door de huurder aan de woning is toegebracht zijn in de wet specifieke regels opgenomen. Omdat het overeengekomen bedrag niet valt onder de servicekosten die een verhuurder bij een huurder in rekening mag brengen, hebben [eiseres] c.s. deze kosten onverschuldigd betaald. Gelet op het feit dat deze kosten onderdeel waren van het bedrag dat [eiseres] c.s. maandelijks aan [gedaagde] diende te betalen, zal het totaal bedrag van die kosten in mindering worden gebracht op de huurachterstand. Voor het eerste jaar gaat het om een bedrag van € 600,- (12 x € 50,-) en voor de daarna volgende periode tot en met
december 2022 om € 1.615,- (19 x € 85,-). Op de huurachterstand zal daarom een bedrag van € 2.215,- in mindering worden gebracht. De huurachterstand komt daarmee op een bedrag van € 2.505,68 (€ 4.720,68 minus € 2.215,-).”
2.8.
Als [eiseres] het niet eens was met dit oordeel in het tussenvonnis, dan had zij hoger beroep kunnen instellen. Omdat in het tussenvonnis niet anders is bepaald, had het hoger beroep tegelijk met dat van het eindvonnis kunnen worden ingesteld binnen drie maanden vanaf de dag van de uitspraak van het eindvonnis van 30 augustus 2024.
2.9.
Verder is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] gehandeld heeft in strijd met de goede procesorde door na het wijzen van het tussenvonnis met voormelde overwegingen over de servicekosten, een separate procedure hierover te beginnen. Als [eiseres] de mening was toegedaan dat in die eerdere procedure nog geen beslissing had kunnen worden genomen over de servicekosten omdat [gedaagde] voor het verstrekken van de afrekening tot juli 2023 de tijd had, dan had zij dat in die procedure kunnen aanvoeren. Ook de discussie over wat er aan inboedel in de woning stond en de waarde daarvan had toen gevoerd kunnen en moeten worden.
Proceskosten
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter kent [gedaagde] ambtshalve een bedrag van € 50,- aan reis-, verblijf- en verletkosten toe.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de eisen af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden vastgesteld op € 50,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
465
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11231244 CV EXPL 24-18523
datum uitspraak: 17 januari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
woonplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. H.J. van Smaalen,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 28 juni 2024, met bijlagen;
het antwoord.
1.2.
Op 27 november 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiseres] , met hulp van de tolk Slowaaks D. Dijkstra, en mr. Van Smaalen en zijn collega mr. A.C.S. Vegt, en met [gedaagde] .
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiseres] eist een drietal verklaringen voor recht, namelijk - kort gezegd - dat zij
€ 232,50 aan servicekosten verschuldigd was in de periode van 25 mei 2020 tot
31 december 2022, dat [gedaagde] terzake hiervan € 1.982,50 te veel in rekening heeft gebracht en dit bedrag in mindering strekt op het door huurder(s) aan [gedaagde] verschuldigde over deze periode, en dat [eiseres] de bevoegdheid heeft om het bedrag van € 1.982,50 te verrekenen met wat zij aan [gedaagde] verschuldigd is. [gedaagde] is het hiermee niet eens. De eisen worden afgewezen.
Wat is er gebeurd?
2.2.
[eiseres] heeft in de periode van 25 mei 2020 tot 31 december 2022 van [gedaagde] gehuurd de woning in de [adres] te Rotterdam. Ene [persoon A] woonde ook in de woning.
2.3.
In die periode is [gedaagde] de gerechtelijke procedure met zaaknummer 9866252 CV EXPL 22-14211 begonnen tegen [eiseres] en [persoon A] .
2.4.
Hangende die procedure zijn partijen overeengekomen dat de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] wordt beëindigd per 31 december 2022 en dat [eiseres] het gehuurde uiterlijk op die datum ontruimt. [persoon A] heeft verklaard geen aanspraak te maken dan wel te hebben op huurrechten ten aanzien van het gehuurde. Dit is opgenomen in een vaststellingsovereenkomst.
2.5.
In die procedure is vervolgens op 21 juli 2023 tussenvonnis en op 30 augustus 2024 eindvonnis gewezen.
Wat vindt de kantonrechter
2.6.
De kantonrechter wijst de eisen af, want vastgesteld wordt dat over wat [eiseres] eist in deze zaak al een eindbeslissing genomen is in het tussenvonnis van 21 juli 2023.
2.7.
In het tussenvonnis zijn onder meer [eiseres] en [persoon A] hoofdelijk veroordeeld om € 2.505,68 aan huurachterstand te betalen aan [gedaagde] . Hierover valt het volgende te lezen in het lichaam van dat vonnis:
“Servicekosten
2.20.
Ten aanzien van de in de huurovereenkomst onder 4.4. opgenomen bepaling met betrekking tot servicekosten hebben [eiseres] c.s. verzocht om vernietiging, althans te bepalen dat [eiseres] c.s. niet aan deze bepaling gehouden zijn en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 4.430,00 aan onverschuldigd betaalde voorschotten servicekosten.
2.21.
[eiseres] c.s. hebben daartoe aangevoerd dat zij op grond van de
huurovereenkomst een voorschot wegens onderhoud cv, witgoed en stoffering hebben betaald, van € 50,- per maand voor het eerste jaar en € 85,- per maand daarna. Volgens [eiseres] c.s. is er in het geheel geen service verleend ter zake onderhoud cv, witgoed en stoffering en hebben zij daarom tot en met november 2022 ten onrechte een bedrag van € 2.215,- betaald. Voorts hebben [eiseres] c.s. een voorschot servicekosten betaald van € 50,- per maand voor het eerste jaar en
€ 85,- per maand daarna. [eiseres] c.s. hebben dit bedrag onverschuldigd betaald, indien wordt geoordeeld dat zij zelf een energiecontract moesten sluiten. Dat de servicekosten onverschuldigd zijn betaald geldt volgens [eiseres] c.s. te meer omdat [gedaagde] op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat die
servicekosten bedoeld waren als spaarpot voor herstel van (eventuele) schade in de woning.
2.22.
De kantonrechter overweegt dat een verhuurder servicekosten in rekening mag
brengen voor diensten en leveringen aan de huurder. Als een verhuurder de rekeningen voorschiet voor gas, water en elektra, de woonruimte heeft gemeubileerd, onderhoud doet dat wettelijk voor rekening van de huurder is of het trappenhuis schoonmaakt, mag hij de kosten van deze service aan de huurder doorberekenen. Uit de huurovereenkomst blijkt dat [gedaagde] en [eiseres] c.s. voor “onderhoud cv, witgoed, meubels en stoffering” een bedrag van € 50,- per maand zijn overeengekomen, welk bedrag in het tweede jaar is verhoogd naar € 85,- per maand en voorts dat voor “servicekosten” een bedrag van € 50,- per maand is overeengekomen, welk bedrag in het tweede jaar is verhoogd naar € 85,- per
maand.
2.23.
Hoewel [eiseres] c.s. gelijk hebben dat [gedaagde] geen service heeft verleend ter zake onderhoud cv, omdat in de huurovereenkomst onder 6.1. uitdrukkelijk is opgenomen dat cv onderhoud voor rekening van de huurder is, heeft [gedaagde] de woning wel gemeubileerd, gestoffeerd en voorzien van witgoed. Op de foto’s die partijen van de woning in het geding hebben gebracht is te zien dat de woning is voorzien van een wasmachine, een koelkast, een kookplaat, vloerbedekking, een bankstel, diverse kasten en raambekleding. Ten aanzien van deze voorzieningen heeft [gedaagde] dan ook het bedrag van aanvankelijk
€ 50,- en later € 85,- per maand in rekening mogen brengen, zoals opgenomen in de
huurovereenkomst.
2.24.
Ten aanzien van het andere bedrag dat partijen voor “servicekosten” zijn
overeengekomen, heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat dit bedoeld was om een spaarpot op te bouwen om (eventuele) schade in de woning te herstellen. Gelet op deze toelichting vallen deze kosten niet onder de servicekosten die een verhuurder aan de huurder mag doorberekenen. Voor herstel en of vergoeding van schade die door de huurder aan de woning is toegebracht zijn in de wet specifieke regels opgenomen. Omdat het overeengekomen bedrag niet valt onder de servicekosten die een verhuurder bij een huurder in rekening mag brengen, hebben [eiseres] c.s. deze kosten onverschuldigd betaald. Gelet op het feit dat deze kosten onderdeel waren van het bedrag dat [eiseres] c.s. maandelijks aan [gedaagde] diende te betalen, zal het totaal bedrag van die kosten in mindering worden gebracht op de huurachterstand. Voor het eerste jaar gaat het om een bedrag van € 600,- (12 x € 50,-) en voor de daarna volgende periode tot en met
december 2022 om € 1.615,- (19 x € 85,-). Op de huurachterstand zal daarom een bedrag van € 2.215,- in mindering worden gebracht. De huurachterstand komt daarmee op een bedrag van € 2.505,68 (€ 4.720,68 minus € 2.215,-).”
2.8.
Als [eiseres] het niet eens was met dit oordeel in het tussenvonnis, dan had zij hoger beroep kunnen instellen. Omdat in het tussenvonnis niet anders is bepaald, had het hoger beroep tegelijk met dat van het eindvonnis kunnen worden ingesteld binnen drie maanden vanaf de dag van de uitspraak van het eindvonnis van 30 augustus 2024.
2.9.
Verder is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] gehandeld heeft in strijd met de goede procesorde door na het wijzen van het tussenvonnis met voormelde overwegingen over de servicekosten, een separate procedure hierover te beginnen. Als [eiseres] de mening was toegedaan dat in die eerdere procedure nog geen beslissing had kunnen worden genomen over de servicekosten omdat [gedaagde] voor het verstrekken van de afrekening tot juli 2023 de tijd had, dan had zij dat in die procedure kunnen aanvoeren. Ook de discussie over wat er aan inboedel in de woning stond en de waarde daarvan had toen gevoerd kunnen en moeten worden.
Proceskosten
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter kent [gedaagde] ambtshalve een bedrag van € 50,- aan reis-, verblijf- en verletkosten toe.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de eisen af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden vastgesteld op € 50,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
465