Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-29
ECLI:NL:RBROT:2025:6110
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,023 tokens
Inleiding
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/681986 / HA ZA 24-582
Vonnis van 29 januari 2025
in de zaak van
[eiser], t.h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende te Den Haag,
eiser,
advocaat: mr. O. Albayrak te Den Haag,
tegen
1
[gedaagde 1],
gevestigd te Capelle aan den IJssel,
gedaagde,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
wonende te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. G. Grijs te Rotterdam,3. [gedaagde 3],
wonende te Rotterdam,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [eiser], [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd, en gedaagden tezamen [gedaagden]
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties;- de conclusie van antwoord, met productie;
- de akte met nadere producties van [eiser];- de mondelinge behandeling van 15 november 2024.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [eiser] verklaard ook op te treden namens [gedaagde 1], en dat de formaliteiten met betrekking tot het verschijnen van [gedaagde 1] in de procedure na de zitting afgehandeld zouden worden. Na de zitting heeft hij de rechtbank evenwel bericht dat [gedaagde 1] toch niet in de procedure is verschenen en zich niet formeel gesteld.
1.3.
Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] niet zijn verschenen en bij de dagvaarding aan hen de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen hen verstek verleend.
Feiten
2.1.
[eiser] drijft onder de naam Sunway Shipping & Travel een onderneming die pakketten verzendt naar met name Suriname en de voormalige Nederlandse Antillen.
2.2.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn de vennoten van [gedaagde 1]. Zij houden zich bezig met het vervoer van goederen en hebben transportopdrachten gegeven aan [eiser].
Geschil
3.1.
[eiser] vordert, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te veroordelen tot betaling van € 24.535,93, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente, en van de proceskosten.
3.2.
Hij stelt daartoe dat hij transportdiensten heeft verricht voor [gedaagde 1], en dat hij daarvoor facturen heeft gestuurd die niet zijn betaald. Hij heeft een lijst in het geding gebracht waarop 88 facturen staan vermeld uit de periode november 2018 tot en met november 2022. De facturen zien op een totaalbedrag van € 24.592,43 dat in rekening is gebracht. Daarnaast heeft hij één factuur van € 43,50 in het geding gebracht die niet in de lijst is opgenomen.
3.3.
[gedaagde 2] voert verweer. Zijn verweer strekt tot afwijzing of matiging van de vorderingen en veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Hij stelt daartoe dat de transportdiensten eerst werden verricht in opdracht van een stichting, en dat de betreffende facturen door de stichting zijn betaald. Vervolgens deed [gedaagde 2] zaken vanuit een eenmanszaak, en daarna vanuit [gedaagde 1]. Hij betwist dat het merendeel van deze facturen verschuldigd zijn, omdat de transportdiensten waarop die zouden zien niet zijn verricht en hij de facturen nooit heeft ontvangen. Hij erkent dat facturen van na 16 april 2021 betaald moeten worden.
Beoordeling
Ten aanzien van [gedaagde 2]
4.1.
Omdat alleen [gedaagde 2] als gedaagde in de procedure is verschenen, gaat de rechtbank eerst in op zijn positie. Gezien het verweer dat hij heeft gevoerd, is de centrale vraag in deze procedure welke facturen verschuldigd zijn en welke partij die dan moet betalen. Om dat te beoordelen worden hierna als eerste de facturen op de lijst van [eiser] gegroepeerd. Vervolgens wordt de tijdlijn van de stichting, de eenmanszaak en [gedaagde 1] in kaart gebracht en afgezet tegen de facturen. Daarna wordt beoordeeld wie welke facturen moet betalen.
Tijdlijn stichting – eenmanszaak – VOF en lijst met facturen en een losse factuur
4.2.
[eiser] heeft uittreksels uit het register van de Kamer van Koophandel in het geding gebracht en toegelicht. Die uittreksels zijn niet door [gedaagde 2] betwist. In deze uittreksels is onder meer het volgende opgenomen over de stichting, de eenmanszaak, en [gedaagde 1] waarnaar [gedaagde 2] heeft verwezen:
de stichting is op 19 april 2016 opgericht en op 1 april 2020 ontbonden;
de eenmanszaak heeft op 1 april 2019 de onderneming van de stichting overgenomen en is uitgeschreven uit het handelsregister op 21 juli 2022;
de onderneming van de eenmanszaak is op 21 juli 2022 voortgezet door [gedaagde 1].
4.3.
De lijst die [eiser] heeft aangeleverd bevat 88 facturen. Van 46 van deze facturen heeft hij kopieën in het geding gebracht. Deze kopieën hebben een dagtekening tussen eind augustus 2019 en november 2022. Zij zien op een totaal in rekening gebracht bedrag van € 12.664,32. Van 42 facturen op de lijst zijn geen kopieën in het geding gebracht. Het totaalbedrag van deze facturen, die volgens [eiser] verstuurd zijn tussen november 2018 en augustus 2019, is € 11.928,11. Daarnaast heeft [eiser] een factuur overgelegd die niet op de lijst staat (de factuur van 4 december 2019 ad € 43,50). In totaal gaat het dus om 89 facturen met een totaalbedrag van 24.635,93.
4.4.
[gedaagde 2] heeft ter zitting verklaard dat hij niet weet wanneer de overgang van de stichting naar de eenmanszaak plaatsvond, maar wel dat de eenmanszaak in juli 2022 is overgegaan naar [gedaagde 1]. Omdat [gedaagde 2] hierover geen duidelijkheid heeft verschaft en ook de in het geding gebrachte facturen dit niet doen, gaat de rechtbank uit van wat het register van de KvK vermeldt over de data van overgang van de onderneming van de stichting naar de eenmanszaak, en van de eenmanszaak naar [gedaagde 1]. Het ligt immers niet voor de hand dat de stichting nog activiteiten heeft verricht na de overdracht van haar onderneming aan de eenmanszaak. Hetzelfde geldt voor de eenmanszaak na de overdracht van haar onderneming aan [gedaagde 1].
4.5.
De rechtbank neemt daarom aan dat – voor wat betreft de diensten die [eiser] stelt te hebben verleend – de stichting de wederpartij was tot 1 april 2019, vervolgens de eenmanszaak tot 21 juli 2022, en ten slotte [gedaagde 1] vanaf 21 juli 2022. De rechtbank wordt in die aanname gesteund door het feit dat [eiser] op 18 januari 2019 (dus vóór de overgang van de onderneming van de stichting naar de eenmanszaak) een betaling op zijn bankrekening ontving waarbij in het betalingskenmerk ‘Stichting NedSu’ als afzender stond vermeld, en dat hij op juli 2019 (dus enige tijd na de overgang van de stichting naar de eenmanszaak) een betaling ontving waarbij de eenmanszaak (‘NedSu express’) als afzender stond vermeld. Ook het feit dat [gedaagde 2] op 5 september 2022 (dus kort na de overgang van de onderneming naar [gedaagde 1]) een e-mail aan [eiser] stuurde met de tekst: “Bij deze stuur ik onze nieuwe KvK en BTW nummer”, is met deze aanname in lijn. Geen van de partijen heeft een andere, logische verklaring gegeven voor de vraag wie op welk moment de opdrachtgever was.
4.6.
Als de 89 facturen van [eiser] worden afgezet tegen de tijdlijn ‘stichting – eenmanszaak – VOF’, levert dat het volgende beeld op:
18 18 facturen zien op de periode dat de stichting [eiser]’s wederpartij was, zij hebben een totaalbedrag van € 3.969,56;
18 68 facturen hebben betrekking op de periode dat zaken werden gedaan vanuit de eenmanszaak, het totaalbedrag van deze facturen is € 20.039,60;
18 3 facturen zien op de periode dat [gedaagde 1] actief was, zij hebben een totaalbedrag van € 626,77.
Facturen stichting
4.7.
Voor wat betreft de facturen die zijn verstuurd voor opdrachten die zijn verstrekt door de stichting, verweert [gedaagde 2] zich met de stelling dat de stichting aansprakelijk is als die niet zijn betaald - en niet hij persoonlijk. Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank als volgt.
4.8.
Het uitgangspunt met betrekking tot deze facturen is dat de stichting die moet betalen. Dat zou anders kunnen liggen als [gedaagde 2], als bestuurder van de stichting, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Daarvoor is vereist dat hem persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden van het feit dat de stichting niet aan haar verplichtingen jegens [eiser] voldoet, en dat de stichting geen verhaal biedt voor zijn schade. [eiser] stelt dit niet, hij heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld die die conclusie kunnen dragen. Een andere aansprakelijkheidsgrond zou mogelijk kunnen zijn dat de eenmanszaak de schulden van de stichting heeft overgenomen, maar ook daarover heeft [eiser] niets gesteld. De vorderingen jegens [gedaagde 2] die betrekking hebben op de facturen aan de stichting worden daarom afgewezen.
Facturen eenmanszaak
4.9.
Van de facturen die zijn verstuurd voor opdrachten van de eenmanszaak heeft [gedaagde 2] ter zitting verklaard dat er vier betaald moeten worden. Dat zijn de facturen die dateren van 16 april 2021 en later. Deze erkende facturen hebben een totaalbedrag van € 2.875,29. Omdat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de schulden van de eenmanszaak, worden de vorderingen jegens hem die zien op deze facturen toegewezen.
4.10.
[gedaagde 2] betwist dat de eenmanszaak de andere 64 facturen moet betalen. Hij voert daartoe ten eerste aan dat hij geen facturen heeft ontvangen. De rechtbank passeert dit verweer op grond van het volgende. [eiser] heeft een aanzienlijk aantal kopieën van facturen in het geding gebracht die zijn geadresseerd aan het bedrijfsadres van de eenmanszaak. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat Sunway haar facturen altijd per e-mail verstuurt. In het geval van de stichting, de eenmanszaak en [gedaagde 1] is dat gebeurd aan het e-mailadres [e-mailadres 1]. [gedaagde 2] heeft bevestigd dat dit het e-mailadres is dat hij altijd zakelijk heeft gebruikt – ten behoeve van de stichting, de eenmanszaak, en [gedaagde 1].
4.11.
Daarmee strookt dat [eiser] op 5 februari 2020 een e-mail aan dit e-mailadres heeft gestuurd met de volgende tekst:
“Hierbij de openstaande facturen van 2019, graag controleren en in orde maken.”
Daarop is vanaf hetzelfde e-mailadres op 6 februari 2020 geantwoord:
“Ontvangen, ik ga het controleren en dan z.s.m. in orde maken. Met vriendelijke groet, [gedaagde 2].”
4.12.
Daarnaast is op 2 maart 2023 vanaf het e-mailadres [e-mailadres 2] een e-mail aan [eiser] gestuurd met een voorstel voor een betalingsregeling van € 100 per maand. In die e-mail staat verder dat de uitstaande vorderingen na correctie € 18.430,86 bedragen, dat er een betaling is gedaan van € 100 op 10 februari 2023, en dat het nieuwe openstaande saldo € 18.330,86 is.
Conclusie
4.19.
De slotsom ten aanzien van [gedaagde 2] is dat [eiser]’s vorderingen jegens hem worden toegewezen voor een bedrag van € 20.522,87 (€ 2.875,29 onbetwiste facturen aan de eenmanszaak + 17.164,31 betwiste facturen aan de eenmanszaak + € 526,77 onbetwiste facturen aan [gedaagde 1]), en dat hij de proceskosten moet betalen.
Ten aanzien van [gedaagde 1]
4.20.
Omdat tegen [gedaagde 1] verstek is verleend, moeten de vorderingen voor zover die tegen haar zijn gericht worden toegewezen, tenzij die vorderingen de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomen (art. 139 Wetboek van Rechtsvordering). Daarbij geldt dat in een zaak als deze, waarin de ene gedaagde wel maar de andere niet verschijnt, in het algemeen de verweren die zijn gevoerd door de wel verschenen gedaagde niet ook ten gunste strekken van de gedaagde tegen wie verstek is verleend, ook niet als de gedaagden hoofdelijk verbonden zijn.
4.21.
Het algemene uitgangspunt dat verweren van de verschenen gedaagde niet gelden ten gunste van de niet verschenen gedaagden, is echter niet absoluut. Feit is dat uit de uittreksels van de kamer van koophandel blijkt dat [gedaagde 1] is voorafgegaan door een eenmanszaak en een stichting. Gegeven de opvolging van de onderneming door de eenmanszaak van de stichting, en vervolgens door [gedaagde 1] van de eenmanszaak, komen de vorderingen jegens [gedaagde 1] voor zover die betrekking hebben op dienstverlening aan de stichting de rechtbank ongegrond voor. [eiser] heeft namelijk geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit zou volgen dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor schulden van de stichting.
4.22.
Dat ligt anders voor de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor schulden van de eenmanszaak. Immers, in de hiervoor besproken e-mail van 2 maart 2023 aan [eiser], is door [gedaagde 1] een schuld erkend (€ 18.330,86) die aanzienlijk groter is dan die van [gedaagde 1] (€ 526,77). De rechtbank verbindt daaraan de conclusie dat die erkenning betrekking moet hebben op schulden van de eenmanszaak. De vorderingen jegens [gedaagde 1] die zien op facturen aan de eenmanszaak komen de rechtbank daarom niet ongegrond voor, en zij wijst die daarom toe. Hetzelfde geldt voor de facturen die zien op opdrachten die door [gedaagde 1] zelf zijn verstrekt.
4.23.
De vorderingen jegens [gedaagde 1] worden daarom toegewezen voor zover die zien op de facturen die zijn verstuurd voor opdrachten verstrekt door de eenmanszaak en door [gedaagde 1]. Dat betreft in totaal 71 facturen (68 aan de eenmanszaak en 3 aan [gedaagde 1]) voor een totaalbedrag van € 20.566,37.
Ten aanzien van [gedaagde 3]
4.24.
[gedaagde 3] is als hoofdelijk verbonden vennoot aansprakelijk voor de verplichtingen van [gedaagde 1]. Om die reden wordt ook zij veroordeeld tot betaling van € 20.566,37.
Slot
Wettelijke handelsrente
4.25.
[gedaagde 2] betwist de verschuldigdheid van rente. Hij betoogt daartoe dat er geen verzuim is ingetreden ten aanzien van de op de facturen vermelde bedragen. Dat betoog slaagt niet. De basis van de door [eiser] geleverde transportdiensten is namelijk steeds een handelsovereenkomst, gesloten door natuurlijke personen in de uitoefening van een bedrijf. Op grond van art. 6:119a lid 2 sub a BW is daarom wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag die volgt op de dag waarop de factuur is ontvangen. Voor de verschuldigdheid van de bedragen op de facturen is dus niet vereist dat de schuldenaar in verzuim is.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.26.
[eiser] vordert buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.235,11, die [gedaagde 2] heeft betwist. [eiser] stelt ter onderbouwing van deze kosten dat zowel hij als zijn gemachtigde [gedaagde 1] herhaaldelijk schriftelijk heeft aangemaand. De rechtbank volgt [eiser] niet in dit betoog. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is namelijk niet komen vast te staan dat [gedaagde 2] (of de andere gedaagden) een aanmaningsbrief en een herinnering van [eiser]’s gemachtigde heeft ontvangen. De e-mails die [eiser] zelf aan [gedaagde 1] heeft gestuurd omvatten naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan het doen van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
Proceskosten
4.27.
[gedaagden] zijn de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Zij worden daarom in de proceskosten veroordeeld, met dien verstande dat alleen [gedaagde 2] als verschenen partij wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van het salaris van de advocaat die zien op de mondeling behandeling. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden conform het liquidatietarief begroot op:
- dagvaarding € 140,92
- griffierecht € 1.325,00
- salaris advocaat € 1.572,00 (2 punten × tarief € 786, 00)
Totaal € 3.037,92
[gedaagde 2] wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag, en [gedaagde 1] en [gedaagde 3] worden veroordeeld tot betaling van € 2.251,92 (€ 3.037,92 - € 786,00).
Dictum
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 20.566,37, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op de op de betreffende facturen vermelde factuurdatums,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van [eiser] die door [gedaagden] zijn veroorzaakt, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.251,92,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 2] in de overige proceskosten van [eiser], aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 786,00,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten van [eiser], begroot op € 178,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 92,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW,
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Douwes. Het is door de rolrechter ondertekend en op 29 januari 2025 uitgesproken in het openbaar. 3900/1876
Productie 8 van [eiser], die niet is betwist door [gedaagde 2]
Productie 7 van [eiser], die niet is betwist door [gedaagde 2]
Onderdeel van productie 7 van [eiser], die niet door [gedaagde 2] is betwist.
Idem.
Productie 2 van [eiser].
Volledigheidshalve vermeldt de rechtbank dat die erkenning, afgaande op het bedrag, niet ziet op de periode van de stichting, maar alleen op de eenmanszaak en [gedaagde 1].
Productie 3 van [eiser].
Beoordeling
In de ondertekening van de e-mail staan als afzenders vermeld ‘[gedaagde 3] & [gedaagde 2]’ en als e-mailadres ‘[e-mailadres 1]’.
4.13.
[gedaagde 2] heeft betwist dat er door [gedaagde 1] een e-mail met deze strekking is gestuurd. Hij stelt dat hij het e-mailadres [e-mailadres 2] niet kent. De rechtbank passeert deze betwisting. In de e-mail wordt immers het voorstel gedaan voor een betalingsregeling van € 100 per maand en wordt vermeld dat er op 10 februari 2023 een termijn is betaald. Dit bedrag heeft [eiser] – naar [gedaagde 2] niet heeft betwist – op 10 februari 2023 inderdaad ontvangen. Daaruit concludeert de rechtbank dat deze e-mail door [gedaagde 1] is gestuurd.
4.14.
Dit alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] – tegenover de blote betwisting van [gedaagde 2] - voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de facturen zijn ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat deze facturen destijds zijn betwist. Sterker nog, het overgrote groot deel van de vorderingen die door [gedaagde 2] in deze procedure worden betwist, is buitengerechtelijk door [gedaagde 1] erkend. Ook de vorderingen jegens [gedaagde 2] die zien op deze betwiste facturen – het gaat om 64 facturen met een totaalbedrag van € 17.164,31 – worden daarom toegewezen.
Facturen VOF
4.15.
De facturen die zijn verstuurd voor transportdiensten aan [gedaagde 1] zijn door [gedaagde 2] niet betwist. Het gaat om drie facturen met een totaalbedrag van € 626,77. Naar [eiser] onbetwist heeft gesteld heeft [gedaagde 1] hiervan op 10 februari 2023 € 100 betaald. Die € 100 moeten op het door [gedaagde 1] verschuldigde bedrag in mindering worden gebracht, zodat een bedrag resteert van € 526,77. [gedaagde 2] is als vennoot hoofdelijk verbonden voor de schulden van [gedaagde 1] (art. 14 Wetboek van Koophandel). Daarom wordt ten aanzien van deze facturen een bedrag van € 526,77 jegens [gedaagde 2] toegewezen.
Rauwelijks gedagvaard?
4.16.
[eiser] heeft een brief van zijn jurist van 6 april 2023 in het geding gebracht, waarin [gedaagde 1] wordt aangemaand om de openstaande facturen te betalen. Daarnaast heeft hij een herinnering van de jurist in het geding gebracht, die niet is gedateerd. [gedaagde 2] heeft de ontvangst van deze brieven betwist. [eiser] heeft niet gesteld op welke wijze de brief van 6 april 2023, die niet ondertekend is, aan [gedaagde 1] is gestuurd. Dat geldt ook voor de herinnering, die niet gedateerd is.
4.17.
Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen. Het had op de weg van [eiser] gelegen om voldoende concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan volgen dat de brief van de jurist en de herinnering door [gedaagde 1] is ontvangen. Omdat [eiser] niets heeft gesteld over de wijze van verzending, de brief niet ondertekend is en de herinnering ongedateerd is heeft hij op dit punt niet voldaan aan zijn stelplicht. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de brief en de herinnering niet zijn ontvangen.
4.18.
Dat leidt tot de conclusie dat [eiser] [gedaagde 2] rauwelijks heeft gedagvaard. De rechtbank verbindt daar echter geen gevolgen aan, om de volgende reden. Een partij die zijn wederpartij rauwelijks dagvaardt kan onnodige proceskosten veroorzaken. Daarvan is sprake als de gedaagde partij de vordering in de procedure erkent. In zo’n geval hadden de kosten van een procedure vermeden kunnen worden als de schuldenaar buiten rechte in de gelegenheid was gesteld om de vordering te voldoen. In deze zaak heeft [gedaagde 1], voorafgaand aan de dagvaarding, aan [eiser] verklaard dat zij slechts in staat was tot een afbetalingsregeling van € 100 per maand. [gedaagde 1] heeft dat bedrag slechts eenmaal aan [eiser] betaald, enkele maanden voor de dagvaarding. Daarnaast heeft [gedaagde 2] op de zitting de verschuldigdheid van het leeuwendeel van de facturen betwist. In het licht van deze omstandigheden hoefde [eiser] er niet van uit te gaan dat de facturen vrijwillig betaald zouden worden. Omdat hij aan mocht nemen dat een procedure nodig zou zijn om betaling van de facturen te verkrijgen, is er geen sprake van onnodig veroorzaakte proceskosten.