Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-18
ECLI:NL:RBROT:2025:5962
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,390 tokens
Inleiding
Rechtbank ROTTERDAM
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-358289-24
Datum uitspraak: 18 maart 2025
Datum zitting: 4 maart 2025
Tegenspraak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2000, zonder vaste woon- of verblijfplaats.
Raadsman van de verdachte: F.G.W.M. Huijbers
Officier van justitie: N. van der Meij
Tenlastelegging
De verdachte wordt door de officier van justitie beschuldigd van (een poging tot) afpersing met geweld en bedreiging met geweld. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
op 10 november 2024 te Spijkenisse met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan die [slachtoffer] toebehoorde door:
die [slachtoffer] op het bed te gooien,
die [slachtoffer] op de grond te gooien,
die [slachtoffer] een voet op zijn nek te zetten,
die [slachtoffer] tegen zijn hoofd en lichaam te schoppen en slaan,
die [slachtoffer] meerdere malen dreigend de woorden toe te voegen dat hij moest betalen omdat hij hem anders zou neersteken/doodsteken,
een mes uit de keukenlade te pakken,
met voornoemd mes op die [slachtoffer] af te lopen,
voornoemd mes in de richting van die [slachtoffer] te houden en/of
met voornoemd mes een stekende beweging richting die [slachtoffer] te maken.
subsidiair:
op 10 november 2024 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan die [slachtoffer] toebehoorde:
die [slachtoffer] om geld heeft gevraagd,
die [slachtoffer] op het bed heeft gegooid,
die [slachtoffer] op de grond heeft gegooid,
die [slachtoffer] een voet op zijn nek heeft gezet,
die [slachtoffer] tegen zijn hoofd en lichaam heeft geschopt en geslagen,
die [slachtoffer] meerdere malen dreigend de woorden heeft toegevoegd dat hij moest betalen omdat hij hem anders zou neersteken/doodsteken,
een mes uit de keukenlade heeft gepakt,
met voornoemd mes op die [slachtoffer] is afgelopen,
voornoemd mes in de richting van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of
met voornoemd mes een stekende beweging richting die [slachtoffer] heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
op 10 november 2024 te Spijkenisse met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan die [slachtoffer] toebehoorde door:
die [slachtoffer] op het bed te gooien,
die [slachtoffer] tegen zijn hoofd en lichaam te schoppen en slaan,
die [slachtoffer] meerdere malen dreigend de woorden toe te voegen dat hij moest betalen omdat hij hem anders zou neersteken/doodsteken.
een mes uit de keukenlade te pakken,
met voornoemd mes op die [slachtoffer] af te lopen,
voornoemd mes in de richting van die [slachtoffer] te houden en
met voornoemd mes een stekende beweging richting die [slachtoffer] te maken.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de aanvullende bewijsoverweging.
1. De verklaring van de verdachte op de zitting van 4 maart 2025
Op 10 november 2024 I Spijkenisse ben ik bij [slachtoffer] geweest voor een sexafspraak. Ik kwam binnen en vroeg meteen om geld. Er lag een mes in de keuken en die pakte ik om kracht bij te zetten.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van [slachtoffer]
Op 10 november 2024 in Spijkenisse had ik via Bullchat een date. Ik liet hem binnen. Ik voelde dat de man mij beetpakte en op bed gooide. De man heeft mij ook geschopt en geslagen met een vuist op mijn hoofd. Ik hoorde de man zeggen: ‘Je moet me betalen. Als je niet betaald dan steek ik je neer.’ Ik zag dat de man een mes uit de keukenlade pakte. Ik zag dat hij een stekende beweging naar mij maakte. Ik heb mijn geldkluisje gepakt. Hierin zat een groene envelop met hierin ongeveer 140 euro.
3. Proces-verbaal van politie, verklaring [slachtoffer]
Op 10 november 2024 te Spijkenisse werd ik geschopt tegen mijn lichaam. Vijf keer. Hij strekte zijn arm uit naar mij met het mes. Hij zei dat hij mij dood zou steken als ik hem geen geld zou geven. Mijn hand bloedde toen ik hem het geld gaf. Hij heeft het geld afgeveegd
aan mijn schone kleding.
Verboden gedraging en de strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
primair:
afpersing
Strafbaarheid van het feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
Straf
Eis officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van het voorarrest met daarnaast oplegging van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met de aangever [slachtoffer] , en een locatieverbod voor heel Spijkenisse, te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 weken per overtreding van de maatregel met een maximum van 6 maanden, voor een periode van 3 jaar, waarbij deze maatregel dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en gevolgen van het feit
De verdachte heeft zich voorgedaan als homoseksuele man om een date te regelen bij het slachtoffer thuis met als doel om hem af te persen. Bij binnenkomst heeft de verdachte gelijk geweld gebruikt om de afpersing mogelijk te maken. Daarna heeft de verdachte ook een mes gebruikt om het slachtoffer angst in te boezemen. Met zijn handelen heeft hij het slachtoffer zijn vertrouwen in mannen en bij het daten afgenomen. Dat het feit plaatsvond bij het slachtoffer thuis, maakt het extra kwalijk, omdat de woning bij uitstek een plek moet zijn waar iemand zich veilig kan voelen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van 6 februari 2025 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages
De rechtbank heeft kennisgenomen van een psychologisch Pro Justitia-onderzoek van 4 februari 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek.
Reclassering Nederland heeft op 21 februari 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt in dat de verdachte een uitgebreid justitiële voorgeschiedenis heeft.
Conclusie
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 2 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank ziet geen reden om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, omdat ter zitting is gebleken dat de verdachte aan de door de reclassering beoogde bijzondere voorwaarden geen medewerking aan zal verlenen.
Daarnaast acht de rechtbank noodzakelijk dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] . Voor een locatieverbod ziet de rechtbank – naast het contactverbod – geen meerwaarde.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden aan te nemen dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens personen, waardoor er ook geen aanleiding is de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Wettelijke voorschriften
De oplegging van de straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 38v, 38w en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering van de benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich gevoegd [slachtoffer] ter zake het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 202,29 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De materiële schade is voldoende onderbouwd, door de verdediging onvoldoende weersproken en op de wet gegrond. Deze vordering zal geheel worden toegewezen. De immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan bij de civiele rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te verhogen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 10 november 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Ook wordt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opgelegd. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen, die dit bedrag vervolgens uitkeert aan de benadeelde partij.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 (drie) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich te onthouden van direct of indirect contact met [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] 1985);
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
veroordeelt de veroordeelde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 2.702,29 (zegge: tweeduizend zevenhonderd en twee euro en 29 eurocent), bestaande uit € 202,29 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de veroordeelde in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de veroordeelde de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.702,29 (hoofdsom, zegge: tweeduizend zevenhonderd en twee euro en 29 eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.702,29 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 37 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
J.H. Janssen, voorzitter,
en J.L. Luiten en R.D.M. de Boer, rechters,
in tegenwoordigheid van J.D. Schmahl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 18 maart 2025.
De oudste rechter is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.
De vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.
De verklaring van de verdachte op de zitting van 4 maart 2025.
Het proces-verbaal van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 1] , doorgenummerde pagina’s 40 – 47.
Het proces-verbaal van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 2] , doorgenummerde pagina’s 59 – 60.
Inleiding
Rechtbank ROTTERDAM
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-358289-24
Datum uitspraak: 18 maart 2025
Datum zitting: 4 maart 2025
Tegenspraak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2000, zonder vaste woon- of verblijfplaats.
Raadsman van de verdachte: F.G.W.M. Huijbers
Officier van justitie: N. van der Meij
Tenlastelegging
De verdachte wordt door de officier van justitie beschuldigd van (een poging tot) afpersing met geweld en bedreiging met geweld. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
op 10 november 2024 te Spijkenisse met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan die [slachtoffer] toebehoorde door:
die [slachtoffer] op het bed te gooien,
die [slachtoffer] op de grond te gooien,
die [slachtoffer] een voet op zijn nek te zetten,
die [slachtoffer] tegen zijn hoofd en lichaam te schoppen en slaan,
die [slachtoffer] meerdere malen dreigend de woorden toe te voegen dat hij moest betalen omdat hij hem anders zou neersteken/doodsteken,
een mes uit de keukenlade te pakken,
met voornoemd mes op die [slachtoffer] af te lopen,
voornoemd mes in de richting van die [slachtoffer] te houden en/of
met voornoemd mes een stekende beweging richting die [slachtoffer] te maken.
subsidiair:
op 10 november 2024 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan die [slachtoffer] toebehoorde:
die [slachtoffer] om geld heeft gevraagd,
die [slachtoffer] op het bed heeft gegooid,
die [slachtoffer] op de grond heeft gegooid,
die [slachtoffer] een voet op zijn nek heeft gezet,
die [slachtoffer] tegen zijn hoofd en lichaam heeft geschopt en geslagen,
die [slachtoffer] meerdere malen dreigend de woorden heeft toegevoegd dat hij moest betalen omdat hij hem anders zou neersteken/doodsteken,
een mes uit de keukenlade heeft gepakt,
met voornoemd mes op die [slachtoffer] is afgelopen,
voornoemd mes in de richting van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of
met voornoemd mes een stekende beweging richting die [slachtoffer] heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
op 10 november 2024 te Spijkenisse met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan die [slachtoffer] toebehoorde door:
die [slachtoffer] op het bed te gooien,
die [slachtoffer] tegen zijn hoofd en lichaam te schoppen en slaan,
die [slachtoffer] meerdere malen dreigend de woorden toe te voegen dat hij moest betalen omdat hij hem anders zou neersteken/doodsteken.
een mes uit de keukenlade te pakken,
met voornoemd mes op die [slachtoffer] af te lopen,
voornoemd mes in de richting van die [slachtoffer] te houden en
met voornoemd mes een stekende beweging richting die [slachtoffer] te maken.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de aanvullende bewijsoverweging.
1. De verklaring van de verdachte op de zitting van 4 maart 2025
Op 10 november 2024 I Spijkenisse ben ik bij [slachtoffer] geweest voor een sexafspraak. Ik kwam binnen en vroeg meteen om geld. Er lag een mes in de keuken en die pakte ik om kracht bij te zetten.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van [slachtoffer]
Op 10 november 2024 in Spijkenisse had ik via Bullchat een date. Ik liet hem binnen. Ik voelde dat de man mij beetpakte en op bed gooide. De man heeft mij ook geschopt en geslagen met een vuist op mijn hoofd. Ik hoorde de man zeggen: ‘Je moet me betalen. Als je niet betaald dan steek ik je neer.’ Ik zag dat de man een mes uit de keukenlade pakte. Ik zag dat hij een stekende beweging naar mij maakte. Ik heb mijn geldkluisje gepakt. Hierin zat een groene envelop met hierin ongeveer 140 euro.
3. Proces-verbaal van politie, verklaring [slachtoffer]
Op 10 november 2024 te Spijkenisse werd ik geschopt tegen mijn lichaam. Vijf keer. Hij strekte zijn arm uit naar mij met het mes. Hij zei dat hij mij dood zou steken als ik hem geen geld zou geven. Mijn hand bloedde toen ik hem het geld gaf. Hij heeft het geld afgeveegd
aan mijn schone kleding.
Verboden gedraging en de strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
primair:
afpersing
Strafbaarheid van het feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
Straf
Eis officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van het voorarrest met daarnaast oplegging van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met de aangever [slachtoffer] , en een locatieverbod voor heel Spijkenisse, te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 weken per overtreding van de maatregel met een maximum van 6 maanden, voor een periode van 3 jaar, waarbij deze maatregel dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en gevolgen van het feit
De verdachte heeft zich voorgedaan als homoseksuele man om een date te regelen bij het slachtoffer thuis met als doel om hem af te persen. Bij binnenkomst heeft de verdachte gelijk geweld gebruikt om de afpersing mogelijk te maken. Daarna heeft de verdachte ook een mes gebruikt om het slachtoffer angst in te boezemen. Met zijn handelen heeft hij het slachtoffer zijn vertrouwen in mannen en bij het daten afgenomen. Dat het feit plaatsvond bij het slachtoffer thuis, maakt het extra kwalijk, omdat de woning bij uitstek een plek moet zijn waar iemand zich veilig kan voelen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van 6 februari 2025 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages
De rechtbank heeft kennisgenomen van een psychologisch Pro Justitia-onderzoek van 4 februari 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek.
Reclassering Nederland heeft op 21 februari 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt in dat de verdachte een uitgebreid justitiële voorgeschiedenis heeft.
Conclusie
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 2 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank ziet geen reden om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, omdat ter zitting is gebleken dat de verdachte aan de door de reclassering beoogde bijzondere voorwaarden geen medewerking aan zal verlenen.
Daarnaast acht de rechtbank noodzakelijk dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] . Voor een locatieverbod ziet de rechtbank – naast het contactverbod – geen meerwaarde.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden aan te nemen dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens personen, waardoor er ook geen aanleiding is de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Wettelijke voorschriften
De oplegging van de straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 38v, 38w en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering van de benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich gevoegd [slachtoffer] ter zake het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 202,29 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De materiële schade is voldoende onderbouwd, door de verdediging onvoldoende weersproken en op de wet gegrond. Deze vordering zal geheel worden toegewezen. De immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan bij de civiele rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te verhogen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 10 november 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Ook wordt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opgelegd. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen, die dit bedrag vervolgens uitkeert aan de benadeelde partij.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 (drie) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich te onthouden van direct of indirect contact met [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] 1985);
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
veroordeelt de veroordeelde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 2.702,29 (zegge: tweeduizend zevenhonderd en twee euro en 29 eurocent), bestaande uit € 202,29 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de veroordeelde in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de veroordeelde de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.702,29 (hoofdsom, zegge: tweeduizend zevenhonderd en twee euro en 29 eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.702,29 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 37 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
J.H. Janssen, voorzitter,
en J.L. Luiten en R.D.M. de Boer, rechters,
in tegenwoordigheid van J.D. Schmahl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 18 maart 2025.
De oudste rechter is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.
De vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.
De verklaring van de verdachte op de zitting van 4 maart 2025.
Het proces-verbaal van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 1] , doorgenummerde pagina’s 40 – 47.
Het proces-verbaal van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 2] , doorgenummerde pagina’s 59 – 60.