Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-15
ECLI:NL:RBROT:2025:5881
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,896 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/2916 en ROT 25/2957
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2025 in de zaken tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A. el Idrissi),
en
het college van burgemeester en wethouders van [plaats] , het college
(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer).
Samenvatting
Verzoeker wil bijzondere bijstand voor energiekosten en een huurschuld. De aanvraag voor de energiekosten is te laat ingediend. Verzoeker wil met de aanvraag voor de huurschuld voorkomen dat hij zijn woning kwijtraakt. Het is echter onzeker of verzoeker met het toekennen van bijzondere bijstand zijn woning zal kunnen behouden. De verzoeken om een voorlopige voorziening worden daarom afgewezen.
Procesverloop
1. Verzoeker heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor energiekosten en een huurschuld. Het college heeft deze aanvragen met de besluiten van 20 februari 2025 (energiekosten) en 24 maart 2025 (huurschuld) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De verzoeken zijn geregistreerd onder zaaknummers ROT 25/2916 (energiekosten) en ROT 25/2957 (huurschuld).
2. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 6 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M. el Idrissi als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
3. Verzoeker huurt een woning van [woningcorporatie] . Hij heeft een schuld aan [woningcorporatie] van € 9.948,02 aan huur tot en met februari 2025 en € 1.974,85 aan service- en stookkosten. De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam heeft op 21 maart 2025 onder meer de huurovereenkomst tussen verzoeker en [woningcorporatie] ontbonden en bepaald dat verzoeker de woning uiterlijk 4 april 2025 moet ontruimen. Dit vonnis heeft onmiddellijke werking. Verzoeker is in hoger beroep gegaan en die procedure loopt nog. Verzoeker woont op dit moment nog steeds in de woning.
Waar gaat het in deze zaken om?
4. Verzoeker heeft op 6 februari 2025 en 24 maart 2025 aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand voor respectievelijk energiekosten en een huurschuld. Het college heeft deze aanvragen afgewezen. Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij wil met de verzoeken om een voorlopige voorziening bereiken dat de aanvragen worden toegekend.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af
5. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang is om de zaak inhoudelijk te kunnen beoordelen.
7. Als verzoeker bijzondere bijstand zou krijgen voor energiekosten en de huurschuld, dan zou hij de schuld aan [woningcorporatie] kunnen aflossen en mogelijk een ontruiming kunnen voorkomen. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van deze zaken.
Energiekosten
8. Verzoeker heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor energiekosten (€ 1.974,-) en heeft daarbij verwezen naar de schuld die hij heeft aan [woningcorporatie] in verband met service- en stookkosten. Uit de dagvaarding van 25 november 2024 blijkt dat de schuld voor service- en stookkosten bestaat uit stookkosten uit 2020 (€ 263,21) en servicekosten uit 2021, 2022 en 2023 (€ 1.711,64). Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker erkend dat deze kosten deel uitmaken van de totale schuld aan [woningcorporatie] . Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor energiekosten afgewezen, omdat verzoeker de aanvraag te laat heeft ingediend.
9. Volgens het beleid van het college mag een nota niet ouder zijn dan drie maanden en de aanvraag van verzoeker van 6 februari 2025 ziet op stookkosten uit 2020. De voorzieningenrechter verwacht daarom dat het besluit van 20 februari 2025 in stand zal blijven.
Huurschuld
10. Verzoeker heeft al eerder een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor deze huurschuld en heeft hierover ook al procedures gevoerd bij de voorzieningenrechter. Anders dan in de eerdere zaken is er nu wel sprake van een dreigende ontruiming.
11. De voorzieningenrechter ziet in het kader van de belangenafweging geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker vraagt bij wijze van voorlopige voorziening om een heel groot bedrag voor het aflossen van de huurschuld, maar het is nog niet zeker of verzoeker hiermee zijn woning zal kunnen behouden. Zo blijkt uit de dagvaarding van 25 november 2024 dat [woningcorporatie] de ontbindings- en ontruimingsvordering ook wil handhaven als verzoeker de huurachterstand tijdens de procedure geheel zou inlopen. Daarnaast heeft verzoeker nog een schuld aan [woningcorporatie] voor de service- en stookkosten, waarvoor hij een aparte aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend. Deze aanvraag is, zo volgt uit 8. en 9, op goede gronden afgewezen. Volgens verzoeker had hij in het verleden een betalingsregeling getroffen met [woningcorporatie] van € 40,- per maand en is hij nu bereid om € 130,- per maand af te lossen. De voorzieningenrechter vraagt zich echter af of dit voldoende is om de ontruiming af te wenden. Volgens verzoeker had [woningcorporatie] bij de betalingsregeling namelijk ook als voorwaarde gesteld dat verzoeker zich zou aanmelden voor schuldhulpverlening en dit is iets wat verzoeker pertinent weigert. Er is dan ook een reële kans dat [woningcorporatie] vast blijft houden aan de ontruiming. Het toekennen van bijzondere bijstand zal dan niet het door verzoeker gewenste effect hebben.
Conclusie
12. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat het college vooralsnog geen bijzondere bijstand hoeft toe te kennen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 3.1 van de Beleidsregels bijzondere bijstand [plaats] 2024.
Zie de uitspraken van 31 juli 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:7098) en 23 december 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:13021).