Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-17
ECLI:NL:RBROT:2025:5806
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
2,025 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11525621 VV EXPL 25-65
datum uitspraak: 17 februari 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: [persoon A] ,
tegen
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.P.E. Smeenk.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Havensteder’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 7 februari 2025, met bijlagen;
de brief van 10 februari 2025 van Havensteder, met bijlagen;
de e-mail van 10 februari 2025 van Havensteder, met één bijlage;
de e-mail van 11 februari 2025 van [eiser] , met één bijlage;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Havensteder.
1.2.
Op 11 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens [eiser] aanwezig: hijzelf met zijn gemachtigde, zijn broer de heer [persoon B] en diens partner de heer [persoon C] . Namens Havensteder waren aanwezig de heer [persoon D] , woonconsulent bij Havensteder, en de gemachtigde.
Geschil
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiser] woonde bij zijn moeder in de woning aan de [adres] in Rotterdam. De moeder van [eiser] huurde deze woning van Havensteder. Na het overlijden van zijn moeder heeft [eiser] , in een eerdere procedure, de kantonrechter gevraagd te bepalen dat [eiser] gerechtigd was de huurovereenkomst met betrekking tot de woning voort te zetten. De kantonrechter heeft de eis van [eiser] in die procedure afgewezen, omdat niet was komen vast te staan dat [eiser] met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding had gehad. De kantonrechter heeft de tegeneis van Havensteder om [eiser] te veroordelen de woning te ontruimen, wel toegewezen. [eiser] heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld; het hof Den Haag heeft bij arrest van 29 oktober 2024 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. [eiser] heeft tegen het arrest van het hof geen cassatie ingesteld binnen de daarvoor geldende termijn. Havensteder heeft, na het verstrijken van de cassatietermijn, de ontruiming van de woning aangezegd tegen 20 februari 2025.
2.2.
[eiser] eist in deze procedure dat de kantonrechter Havensteder verbiedt om het arrest van het hof ten uitvoer te leggen tot 1 juli 2025, op straffe van een dwangsom van € 50.000,00. [eiser] stelt dat hij door de tenuitvoerlegging dakloos zal worden, waarbij er een reële kans bestaat dat zijn psychische problematiek door het gebrek aan een vaste verblijfplaats zal verergeren. Volgens [eiser] zal de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis dan ook tot gevolg hebben dat er voor hem een noodtoestand ontstaat. [eiser] stelt verder dat hij recentelijk, vanwege zijn psychische problemen en het gevaar dat zijn klachten bij dakloosheid zullen verergeren, een urgentieverklaring op medische gronden van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (SUWR) heeft ontvangen. Volgens [eiser] zijn zijn kansen op de woningmarkt daardoor aanzienlijk toegenomen en zal hij naar verwachting binnen een paar maanden naar een andere woning kunnen verhuizen.
2.3.
Havensteder is het niet eens met de eis van [eiser] . Volgens Havensteder heeft [eiser] in deze procedure geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die niet al in de procedures bij de kantonrechter en het hof zijn meegewogen. Daarbij betwist Havensteder dat [eiser] als gevolg van de ontruiming dakloos zal worden en – in het verlengde daarvan – dat de tenuitvoerlegging een noodtoestand voor [eiser] zal doen ontstaan. Bovendien heeft [eiser] volgens Havensteder inmiddels al meer dan genoeg tijd gehad om een nieuwe woning te vinden.
2.4.
De kantonrechter wijst de eis van [eiser] af. Hieronder wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[eiser] heeft een spoedeisend belang
2.5.
Het spoedeisend belang is bij een executiegeschil als dit een gegeven. De spoedeisendheid is ook niet door Havensteder betwist.
Schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen indien sprake is van misbruik van bevoegdheid
2.6.
Vaststaat dat tegen het arrest van het hof van 29 oktober 2024 geen rechtsmiddel meer openstaat en dat de uitspraak onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat de kantonrechter de tenuitvoerlegging van het arrest (in dit geval de ontruiming van de woning) slechts kan schorsen indien de tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid oplevert (artikel 3:13 BW). Daarvan kan onder meer sprake zijn indien de tenuitvoerlegging op grond van na het arrest voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan voor [eiser] , waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is.
[eiser] heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld
2.7.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die bij het nemen van de beslissing in het vonnis van 8 september 2023 en in het arrest van het hof van 29 oktober 2024 niet in aanmerking zijn genomen omdat deze zich pas nadien hebben voorgedaan of bekend zijn geworden. Uit het vonnis van 8 september 2023 kan worden afgeleid dat [eiser] destijds al te maken had met ernstige psychische problematiek. Het feit dat [eiser] te maken heeft met psychische problemen, evenals het feit dat [eiser] als gevolg van de ontruiming mogelijk dakloos zal worden, was destijds dus al bekend en is bij de beslissing om de ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, meegewogen. Dat [eiser] recentelijk op medische gronden een urgentieverklaring heeft gekregen kan niet tot een ander oordeel leiden. [eiser] heeft aangevoerd dat een dergelijke urgentieverklaring in een geval als dit hoogst ongebruikelijk is. Volgens hem geeft dat aan dat sprake is van een situatie die USWR als potentieel buitengewoon ernstig beschouwt, in een zodanige mate, dat dat ten tijde van de eerdere procedures niet voorzienbaar was. Uit de urgentieverklaring en het bijbehorende medisch advies blijkt echter niet dat sprake is van een verergering van de psychische problematiek van [eiser] of dat zijn toestand op andere wijze is veranderd sinds het vonnis van 8 september 2023 of het arrest van 29 oktober 2024. Het enkele feit dat SUWR urgentie heeft verleend roept als zodanig niet een noodtoestand in het leven die zou maken dat de tenuitvoerlegging van de ontruimingstitel misbruik van bevoegdheid zou opleveren.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan Havensteder moet betalen op € 543,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 678,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 678,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
62828
HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575 (Ritzen/Hoekstra).