Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-14
ECLI:NL:RBROT:2025:5751
Civiel recht
Kort geding
5,986 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/696857 / KG ZA 25-258
Vonnis in kort geding van 14 mei 2025
in de zaak van
STICHTING CENTRUM VOOR VRIJWILLIGE EN PROFESSIONELE MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. T. Abbo te Middelharnis,
tegen
DE ROTS BEWINDVOERING B.V., IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER VAN [naam],
vestigingsplaats: Ede,
gedaagde,
advocaat mr. M. Shaaban te Rotterdam.
Partijen worden hierna de Stichting en de bewindvoerder q.q. genoemd. De onder bewind gestelde persoon wordt hierna [naam] genoemd.
1De zaak in het kort
1.1.
De Stichting begeleidt [naam] op basis van een Wmo-arrangement in het opbouwen van een zo zelfstandig mogelijk bestaan met betrekking tot wonen, werken en welzijn. In het kader van de begeleiding die [naam] krijgt, heeft de Stichting hem woonruimte ter beschikking gesteld. De Wmo-indicatie van [naam] is inmiddels afgelopen. Volgens de Stichting kwam door het aflopen van de Wmo-indicatie de begeleiding van [naam] door de Stichting tot een einde en voldoet [naam] sindsdien niet meer aan de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de door de Stichting aan hem ter beschikking gestelde woonruimte. Daarnaast stelt [naam] zich volgens de Stichting al langere tijd niet begeleidbaar op. Omdat [naam] de woonruimte vervolgens niet vrijwillig heeft verlaten, vordert de Stichting – kort gezegd – dat de bewindvoerder q.q. wordt veroordeeld om de woonruimte te ontruimen. De bewindvoerder q.q. is het daar niet mee eens, omdat (i) er geen sprake is van spoedeisend belang, (ii) de Stichting de bewindvoerder buiten spel heeft gezet, (iii) [naam] niet tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huur- en zorgovereenkomst, (iv) de Stichting ten onrechte een melding bij het SUWR heeft gedaan om de urgentie van [naam] in te laten trekken, (v) de Stichting ten onrechte heeft nagelaten om een nieuwe Wmo-indicatie aan te vragen en (vi) de persoonlijke omstandigheden van [naam] met zich brengen dat er geen tekortkoming van voldoende gewicht is die ontruiming van de woonruimte in kort geding rechtvaardigt. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de Stichting toe. Dit wordt hierna uitgelegd.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 8 april 2025, met bijlagen 1 tot en met 15;
de aanvullende bijlage 16 van de Stichting;
de mondelinge behandeling op 30 april 2025;
de zittingsaantekeningen van mr. Shaaban.
Beoordeling
Het zorgelement overheerst in de verhouding tussen de Stichting en [naam]
3.1.
Uit de “Tijdelijke overeenkomst onzelfstandige woonruimte met zorg en begeleiding” (de huur- en zorgovereenkomst), die de Stichting en [naam] hebben gesloten, blijkt dat in hun onderlinge verhouding het zorgelement overheerst. De Stichting heeft de woning aan het adres [adres] aan [naam] ter beschikking gesteld in het kader, en als onderdeel, van de begeleiding die de Stichting [naam] op grond van zijn Wmo-arrangement bood. Het door [naam] ontvangen van begeleiding van de Stichting en het door de Stichting aan [naam] ter beschikking stellen van de woning, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit blijkt ook uit de huur- en zorgovereenkomst:
“(…) Alleen in het kader van deze begeleiding en zorgverlening stelt het CVD woonruimte ter beschikking. (…) Een voorwaarde voor het mogen blijven beschikken over de woonruimte is dat cliënt zich open stelt voor begeleiding door het CVD zoals in het Wmo arrangement is opgenomen (…) In de relatie tussen cliënt en het CVD zal het zorg- en begeleidingselement overheersend zijn. De begeleiding en zorgverlening door het VD en het bieden van woonruimte tegen een vergoeding zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Deze overeenkomst zal derhalve worden beëindig wanneer het leveringsplan eindigt. (…) Het CVD biedt begeleiding en zorg aan de cliënt met daarbij woonruimte (…) Deze woonruimte wordt uitsluitend ter beschikking gesteld teneinde het bieden van begeleiding en zorg door het CVD aan cliënt mogelijk te maken. (…) De overeenkomst is tijdelijk en wordt aangegaan van 31 maart 2023 tot het einde van het Wmo arrangement. (…)”.
De huur- en zorgovereenkomst is geëindigd
3.2.
Omdat in de onderlinge verhouding tussen de Stichting en [naam] het zorgelement overheerst, heeft [naam] geen huurbescherming. Dit brengt mee dat de Stichting de huur- en zorgovereenkomst kon beëindigen als één van de daarin genoemde beëindigingsgronden zich voordeed. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval.
3.3.
De Wmo-indicatie van [naam] is op 2 maart 2025 afgelopen. Daarmee is de toewijzing voor deelname aan de begeleiding van de Stichting komen te vervallen, wat een beëindigingsgrond oplevert (artikel 3.2.3 onder h. van de huur- en zorgovereenkomst). Dat de Stichting geen verlenging van de Wmo-indicatie heeft aangevraagd, doet daar niet aan af. De Stichting heeft namelijk gesteld dat [naam] in 2024 en 2025 veelvuldig niet in de woning heeft verbleven en dat [naam] op dit moment nog steeds bijna nooit in de woning is. De bewindvoerder q.q. heeft dit niet betwist. Dit betekent niet alleen dat zich nog een beëindigingsgrond voordoet (artikel 3.2.3 onder i. van de huur- en zorgovereenkomst), maar ook dat alleszins begrijpelijk is dat de Stichting geen verlenging van de Wmo-indicatie heeft aangevraagd. Doordat [naam] veelvuldig buiten de woning verbleef, was het voor de Stichting immers niet mogelijk om [naam] (goed) te begeleiden en dat is wel de kern van de huur- en zorgovereenkomst.
3.4.
Hoewel het begrijpelijk is dat [naam] vanwege het overlijden van zijn vader in juli 2024 behoefte had om wat meer bij zijn familie te zijn en dus minder in de woning te verblijven, had het voor [naam] duidelijk moeten zijn dat dit een tijdelijke situatie betrof en dat hij na verloop van hooguit enkele weken/maanden weer hoofdzakelijk zijn intrek in de woning had moeten nemen. De Stichting heeft [naam] hier meerdere brieven over gestuurd (op 7 december 2023, vanwege het toen niet doordeweeks verblijven in de woning, en op 13 september 2024). Bovendien blijkt ook uit de huur- zorgovereenkomst dat [naam] de woning moet bewonen. Het is immers een beëindigingsgrond als [naam] de woning om wat voor reden dan ook verlaat. Tot slot had [naam] moeten begrijpen dat hij een huur- en zorgovereenkomst had gesloten, waarvan een belangrijk deel met overheidssubsidie wordt gefinancierd en waarvoor lange wachtlijsten bestaan. Van [naam] had dan ook mogen worden verwacht dat hij zich ten volste zou inspannen om de begeleiding te laten slagen en – als middel daarvoor – om dus in ieder geval doordeweeks in de woning te verblijven, helemaal in de situatie dat hij – zo is namens hem ter zitting betoogd – stelt te kiezen voor een verblijf in Rotterdam (en niet in Enschede waar hij vooral verblijft). Het geeft geen pas en het is in strijd met de huur- en zorgovereenkomst om veelvuldig elders in Nederland te verblijven, maar tegelijkertijd een schaarse woning bezet te houden.
3.5.
De Stichting heeft de huur- en zorgovereenkomst in een brief van 13 maart 2025 beëindigd. De voorzieningenrechter is gelet op wat hiervoor is overwogen voorlopig van oordeel dat de Stichting dit op goede gronden heeft gedaan. Dat [naam] nog wel zorg nodig heeft, doet daar niet aan af. [naam] moet zich dan immers wel begeleidbaar opstellen en beschikbaar zijn voor de zorgverlening, maar daar is al lange tijd geen sprake van.
Wat de bewindvoerder q.q. heeft betoogd, kan niet tot een ander oordeel leiden
3.6.
Het verweer van de bewindvoerder q.q. tegen de beëindiging van de huur- en zorgovereenkomst door de Stichting kan niet tot een ander oordeel leiden.
3.7.
[naam] staat onder bewind. De bewindvoerder beheert en beschikt tijdens het bewind over de onder bewind staande goederen van [naam]. Daar valt bijvoorbeeld een huurwoning onder. Maar de zorg en begeleiding die de Stichting aan [naam] heeft verleend, vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de bewindvoerder. Een mentor is daar de aangewezen persoon voor, maar spijtig genoeg is nooit mentorschap voor [naam] aangevraagd. De Stichting hoefde dan ook strikt genomen niet met de bewindvoerder te communiceren over zorginhoudelijke zaken en de bewindvoerder q.q. kan dit daarom niet aan de Stichting tegenwerpen. De Stichting heeft hiermee niet onrechtmatig gehandeld tegenover [naam] en ook de bewindvoerder niet buiten spel gezet. Over financiële zaken heeft de Stichting overigens wel vaak contact gehad met de bewindvoerder (zie bijlage 13 van de Stichting).
3.8.
Op enig moment heeft de Stichting bij het SUWR – een stichting die voorrang geeft aan woningzoekenden die door ernstige problemen snel een woning nodig hebben – melding gedaan van de gokverslaving van [naam], omdat de Stichting van mening was dat [naam] op dat moment niet zelfredzaam genoeg was om zelfstandig te wonen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Stichting uitgelegd dat (belangrijke) veranderingen in de persoonlijke situatie van [naam] bij het SUWR moeten worden gemeld en dat een gokverslaving zo’n verandering is. De bewindvoerder q.q. heeft dit niet weersproken en kan gelet daarop niet aan de Stichting tegenwerpen dat zij bij het SUWR melding heeft gedaan van de gokverslaving van [naam]. Dat het SUWR naar aanleiding van die melding heeft besloten de urgentieverklaring van [naam] in te trekken, is een omstandigheid die in de gegeven situatie voor rekening en risico van [naam] komt.
3.9.
Anders dan de bewindvoerder q.q. meent, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de Stichting haar verplichtingen uit artikel 9 van de huur- en zorgovereenkomst niet is nagekomen. Dat artikel bevat een inspanningsverplichting voor de Stichting om na beëindiging van de huur- en zorgovereenkomst alternatieve woonruimte, opvang en/of zorg te bewerkstelligen. De bewindvoerder q.q. heeft, mede gelet op het verweer en de stukken van de Stichting, onvoldoende uitgelegd dat de Stichting zich niet aan die inspanningsverplichting heeft gehouden.
Een belangenafweging valt uit in het voordeel van de Stichting
3.10.
De bewindvoerder q.q.
Dictum
De voorzieningenrechter:
4.1.
veroordeelt de bewindvoerder q.q. om er binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis voor te zorgen dat [naam] de woning aan het adres [adres] met de zijnen en het zijne verlaat en ontruimt, en de sleutels van de woning ter vrije beschikking van de Stichting stelt en de woning verder niet meer betreedt;
4.2.
veroordeelt de bewindvoerder q.q. in de proceskosten van € 2.145,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de bewindvoerder q.q. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de bewindvoerder q.q. € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2025.
3349 / 2009
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/696857 / KG ZA 25-258
Vonnis in kort geding van 14 mei 2025
in de zaak van
STICHTING CENTRUM VOOR VRIJWILLIGE EN PROFESSIONELE MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. T. Abbo te Middelharnis,
tegen
DE ROTS BEWINDVOERING B.V., IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER VAN [naam],
vestigingsplaats: Ede,
gedaagde,
advocaat mr. M. Shaaban te Rotterdam.
Partijen worden hierna de Stichting en de bewindvoerder q.q. genoemd. De onder bewind gestelde persoon wordt hierna [naam] genoemd.
1De zaak in het kort
1.1.
De Stichting begeleidt [naam] op basis van een Wmo-arrangement in het opbouwen van een zo zelfstandig mogelijk bestaan met betrekking tot wonen, werken en welzijn. In het kader van de begeleiding die [naam] krijgt, heeft de Stichting hem woonruimte ter beschikking gesteld. De Wmo-indicatie van [naam] is inmiddels afgelopen. Volgens de Stichting kwam door het aflopen van de Wmo-indicatie de begeleiding van [naam] door de Stichting tot een einde en voldoet [naam] sindsdien niet meer aan de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de door de Stichting aan hem ter beschikking gestelde woonruimte. Daarnaast stelt [naam] zich volgens de Stichting al langere tijd niet begeleidbaar op. Omdat [naam] de woonruimte vervolgens niet vrijwillig heeft verlaten, vordert de Stichting – kort gezegd – dat de bewindvoerder q.q. wordt veroordeeld om de woonruimte te ontruimen. De bewindvoerder q.q. is het daar niet mee eens, omdat (i) er geen sprake is van spoedeisend belang, (ii) de Stichting de bewindvoerder buiten spel heeft gezet, (iii) [naam] niet tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huur- en zorgovereenkomst, (iv) de Stichting ten onrechte een melding bij het SUWR heeft gedaan om de urgentie van [naam] in te laten trekken, (v) de Stichting ten onrechte heeft nagelaten om een nieuwe Wmo-indicatie aan te vragen en (vi) de persoonlijke omstandigheden van [naam] met zich brengen dat er geen tekortkoming van voldoende gewicht is die ontruiming van de woonruimte in kort geding rechtvaardigt. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de Stichting toe. Dit wordt hierna uitgelegd.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 8 april 2025, met bijlagen 1 tot en met 15;
de aanvullende bijlage 16 van de Stichting;
de mondelinge behandeling op 30 april 2025;
de zittingsaantekeningen van mr. Shaaban.
Beoordeling
Het zorgelement overheerst in de verhouding tussen de Stichting en [naam]
3.1.
Uit de “Tijdelijke overeenkomst onzelfstandige woonruimte met zorg en begeleiding” (de huur- en zorgovereenkomst), die de Stichting en [naam] hebben gesloten, blijkt dat in hun onderlinge verhouding het zorgelement overheerst. De Stichting heeft de woning aan het adres [adres] aan [naam] ter beschikking gesteld in het kader, en als onderdeel, van de begeleiding die de Stichting [naam] op grond van zijn Wmo-arrangement bood. Het door [naam] ontvangen van begeleiding van de Stichting en het door de Stichting aan [naam] ter beschikking stellen van de woning, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit blijkt ook uit de huur- en zorgovereenkomst:
“(…) Alleen in het kader van deze begeleiding en zorgverlening stelt het CVD woonruimte ter beschikking. (…) Een voorwaarde voor het mogen blijven beschikken over de woonruimte is dat cliënt zich open stelt voor begeleiding door het CVD zoals in het Wmo arrangement is opgenomen (…) In de relatie tussen cliënt en het CVD zal het zorg- en begeleidingselement overheersend zijn. De begeleiding en zorgverlening door het VD en het bieden van woonruimte tegen een vergoeding zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Deze overeenkomst zal derhalve worden beëindig wanneer het leveringsplan eindigt. (…) Het CVD biedt begeleiding en zorg aan de cliënt met daarbij woonruimte (…) Deze woonruimte wordt uitsluitend ter beschikking gesteld teneinde het bieden van begeleiding en zorg door het CVD aan cliënt mogelijk te maken. (…) De overeenkomst is tijdelijk en wordt aangegaan van 31 maart 2023 tot het einde van het Wmo arrangement. (…)”.
De huur- en zorgovereenkomst is geëindigd
3.2.
Omdat in de onderlinge verhouding tussen de Stichting en [naam] het zorgelement overheerst, heeft [naam] geen huurbescherming. Dit brengt mee dat de Stichting de huur- en zorgovereenkomst kon beëindigen als één van de daarin genoemde beëindigingsgronden zich voordeed. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval.
3.3.
De Wmo-indicatie van [naam] is op 2 maart 2025 afgelopen. Daarmee is de toewijzing voor deelname aan de begeleiding van de Stichting komen te vervallen, wat een beëindigingsgrond oplevert (artikel 3.2.3 onder h. van de huur- en zorgovereenkomst). Dat de Stichting geen verlenging van de Wmo-indicatie heeft aangevraagd, doet daar niet aan af. De Stichting heeft namelijk gesteld dat [naam] in 2024 en 2025 veelvuldig niet in de woning heeft verbleven en dat [naam] op dit moment nog steeds bijna nooit in de woning is. De bewindvoerder q.q. heeft dit niet betwist. Dit betekent niet alleen dat zich nog een beëindigingsgrond voordoet (artikel 3.2.3 onder i. van de huur- en zorgovereenkomst), maar ook dat alleszins begrijpelijk is dat de Stichting geen verlenging van de Wmo-indicatie heeft aangevraagd. Doordat [naam] veelvuldig buiten de woning verbleef, was het voor de Stichting immers niet mogelijk om [naam] (goed) te begeleiden en dat is wel de kern van de huur- en zorgovereenkomst.
3.4.
Hoewel het begrijpelijk is dat [naam] vanwege het overlijden van zijn vader in juli 2024 behoefte had om wat meer bij zijn familie te zijn en dus minder in de woning te verblijven, had het voor [naam] duidelijk moeten zijn dat dit een tijdelijke situatie betrof en dat hij na verloop van hooguit enkele weken/maanden weer hoofdzakelijk zijn intrek in de woning had moeten nemen. De Stichting heeft [naam] hier meerdere brieven over gestuurd (op 7 december 2023, vanwege het toen niet doordeweeks verblijven in de woning, en op 13 september 2024). Bovendien blijkt ook uit de huur- zorgovereenkomst dat [naam] de woning moet bewonen. Het is immers een beëindigingsgrond als [naam] de woning om wat voor reden dan ook verlaat. Tot slot had [naam] moeten begrijpen dat hij een huur- en zorgovereenkomst had gesloten, waarvan een belangrijk deel met overheidssubsidie wordt gefinancierd en waarvoor lange wachtlijsten bestaan. Van [naam] had dan ook mogen worden verwacht dat hij zich ten volste zou inspannen om de begeleiding te laten slagen en – als middel daarvoor – om dus in ieder geval doordeweeks in de woning te verblijven, helemaal in de situatie dat hij – zo is namens hem ter zitting betoogd – stelt te kiezen voor een verblijf in Rotterdam (en niet in Enschede waar hij vooral verblijft). Het geeft geen pas en het is in strijd met de huur- en zorgovereenkomst om veelvuldig elders in Nederland te verblijven, maar tegelijkertijd een schaarse woning bezet te houden.
3.5.
De Stichting heeft de huur- en zorgovereenkomst in een brief van 13 maart 2025 beëindigd. De voorzieningenrechter is gelet op wat hiervoor is overwogen voorlopig van oordeel dat de Stichting dit op goede gronden heeft gedaan. Dat [naam] nog wel zorg nodig heeft, doet daar niet aan af. [naam] moet zich dan immers wel begeleidbaar opstellen en beschikbaar zijn voor de zorgverlening, maar daar is al lange tijd geen sprake van.
Wat de bewindvoerder q.q. heeft betoogd, kan niet tot een ander oordeel leiden
3.6.
Het verweer van de bewindvoerder q.q. tegen de beëindiging van de huur- en zorgovereenkomst door de Stichting kan niet tot een ander oordeel leiden.
3.7.
[naam] staat onder bewind. De bewindvoerder beheert en beschikt tijdens het bewind over de onder bewind staande goederen van [naam]. Daar valt bijvoorbeeld een huurwoning onder. Maar de zorg en begeleiding die de Stichting aan [naam] heeft verleend, vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de bewindvoerder. Een mentor is daar de aangewezen persoon voor, maar spijtig genoeg is nooit mentorschap voor [naam] aangevraagd. De Stichting hoefde dan ook strikt genomen niet met de bewindvoerder te communiceren over zorginhoudelijke zaken en de bewindvoerder q.q. kan dit daarom niet aan de Stichting tegenwerpen. De Stichting heeft hiermee niet onrechtmatig gehandeld tegenover [naam] en ook de bewindvoerder niet buiten spel gezet. Over financiële zaken heeft de Stichting overigens wel vaak contact gehad met de bewindvoerder (zie bijlage 13 van de Stichting).
3.8.
Op enig moment heeft de Stichting bij het SUWR – een stichting die voorrang geeft aan woningzoekenden die door ernstige problemen snel een woning nodig hebben – melding gedaan van de gokverslaving van [naam], omdat de Stichting van mening was dat [naam] op dat moment niet zelfredzaam genoeg was om zelfstandig te wonen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Stichting uitgelegd dat (belangrijke) veranderingen in de persoonlijke situatie van [naam] bij het SUWR moeten worden gemeld en dat een gokverslaving zo’n verandering is. De bewindvoerder q.q. heeft dit niet weersproken en kan gelet daarop niet aan de Stichting tegenwerpen dat zij bij het SUWR melding heeft gedaan van de gokverslaving van [naam]. Dat het SUWR naar aanleiding van die melding heeft besloten de urgentieverklaring van [naam] in te trekken, is een omstandigheid die in de gegeven situatie voor rekening en risico van [naam] komt.
3.9.
Anders dan de bewindvoerder q.q. meent, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de Stichting haar verplichtingen uit artikel 9 van de huur- en zorgovereenkomst niet is nagekomen. Dat artikel bevat een inspanningsverplichting voor de Stichting om na beëindiging van de huur- en zorgovereenkomst alternatieve woonruimte, opvang en/of zorg te bewerkstelligen. De bewindvoerder q.q. heeft, mede gelet op het verweer en de stukken van de Stichting, onvoldoende uitgelegd dat de Stichting zich niet aan die inspanningsverplichting heeft gehouden.
Een belangenafweging valt uit in het voordeel van de Stichting
3.10.
De bewindvoerder q.q.
Dictum
De voorzieningenrechter:
4.1.
veroordeelt de bewindvoerder q.q. om er binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis voor te zorgen dat [naam] de woning aan het adres [adres] met de zijnen en het zijne verlaat en ontruimt, en de sleutels van de woning ter vrije beschikking van de Stichting stelt en de woning verder niet meer betreedt;
4.2.
veroordeelt de bewindvoerder q.q. in de proceskosten van € 2.145,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de bewindvoerder q.q. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de bewindvoerder q.q. € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2025.
3349 / 2009