Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-18
ECLI:NL:RBROT:2025:5596
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,761 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 83-031819-23
Datum uitspraak: 18 april 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:
[verdachte rechtspersoon] ,
gevestigd op het adres [vestigingsadres] , [postcode] [woonplaats] ,
in deze procedure vertegenwoordigd door [medeverdachte] ,
raadsman mr. S. Kriekaard, advocaat in Arnhem.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 april 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte rechtspersoon [verdachte rechtspersoon] . is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. M.A. van Rijswijk heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 90.000,-.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is door de vertegenwoordiger van [verdachte rechtspersoon] . bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
zij op meer tijdstippen in de periode van 31 oktober 2020 tot en met 31 januari 2021 te Arnhem en/of Apeldoorn alleen, telkens opzettelijk meerdere, bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten meerdere digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van haar, [verdachte rechtspersoon] ., over het derde kwartaal 2020, het vierde kwartaal 2020 en het eerste kwartaal 2021, telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;
2
zij op meer tijdstippen in de periode van 1 augustus 2021 tot en met 16 oktober 2023 in de gemeenten Arnhem en Apeldoorn, alleen, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten meerdere aangiften voor de omzetbelasting ten name van haar, [verdachte rechtspersoon] ., over het tweede kwartaal 2021, het derde kwartaal 2021 en het vierde kwartaal 2021, niet heeft gedaan, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte rechtspersoon moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
2
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte rechtspersoon
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon uitsluit. De verdachte rechtspersoon is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte rechtspersoon wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de draagkracht van de verdachte rechtspersoon. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
[verdachte rechtspersoon] . heeft in 2020 en 2021 over drie kwartalen een onjuiste aangifte omzetbelasting ingediend en over drie kwartalen geen aangifte omzetbelasting gedaan. De belastingdienst heeft als gevolg hiervan een fiscaal nadeel geleden van € 901.274,-.
[verdachte rechtspersoon] . is een bedrijf, gespecialiseerd in internationale handel van vrachtwagens. De bestuurder heeft het bedrijf [verdachte rechtspersoon] . opgericht ten behoeve van de in- en verkoop van vrachtwagens uit het buitenland op suggestie en met behulp van anderen. Hij heeft zijn hele leven al een grote voorliefde voor vrachtwagens en hij hoopte op deze manier met vrachtwagens te kunnen werken. Op het moment dat de bestuurder van verdachte de bankpas ontving, heeft hij deze bankpas afgegeven aan een ander. Ook moest hij met deze bankpas dagelijks € 5000,- opnemen en dit bedrag afgeven aan die ander. Ook de facturen voor de verkoop van de trucks werden door een ander opgemaakt. Later hoorde de bestuurder dat met de bankpas van zijn bedrijf verschillende grote uitgaven zijn gedaan voor de aankoop van luxe goederen. Hij heeft daar geen weet van gehad. Evenmin was hij er van op de hoogte dat de belastingaangiften niet klopten, omdat hij, zoals hij heeft verklaard, dit heeft overgelaten aan een boekhouder. De bestuurder heeft ter zitting verklaard dat hij zich heeft laten meeslepen en dat hij onverstandige keuzes heeft gemaakt en zich daarvan bewust is.
[verdachte rechtspersoon] . had tijdig juiste aangiften omzetbelasting moeten doen en heeft dit nagelaten. Door de gepleegde belastingfraude heeft [verdachte rechtspersoon] . de belastingdienst en daarmee de samenleving benadeeld. Daarnaast is de werking van het belastingsysteem, dat gebaseerd is op het vertrouwen dat een ondernemer een juiste aangifte doet, geschaad. De handelingen van [verdachte rechtspersoon] . dragen daarnaast bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Het onbestraft laten van belastingfraude kan ertoe leiden dat ook het normbesef vervaagt onder belastingplichtigen die wel aan hun verplichtingen voldoen.
De rechtbank heeft verder gekeken naar een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte rechtspersoon niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
7.3.
Conclusie
Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank een forse geldboete opleggen. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de geldboete gekeken naar geldboetes die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Bij de oplegging van deze straf is rekening gehouden met enerzijds het hoge benadelingsbedrag en anderzijds de omstandigheid dat het strafbare handelen voor [verdachte rechtspersoon] . zelf de bestuurder weinig financieel gewin heeft opgeleverd. De bedragen die binnenkwamen bij het bedrijf zijn beland bij anderen. Daarnaast is rekening gehouden met de omstandigheid dat [verdachte rechtspersoon] . nog niet is afgewikkeld en dat het bedrijf bij de belastingdienst nog een openstaande schuld heeft die in de toekomst zal moeten worden afgelost.
Alles afwegend komt de rechtbank tot de oplegging van een geldboete van € 90.000,-.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 23, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte rechtspersoon de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte rechtspersoon meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;
veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 90.000,00 (negentigduizend euro).
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Derijks, voorzitter,
en mrs. E.M. Havik en L.B. Esser, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 18 april 2025.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte rechtspersoon wordt ten laste gelegd dat
1
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 oktober 2020 tot en met 31 januari 2021 te Arnhem, Nijmegen en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, telkens opzettelijk één of meerdere, bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één of meerdere (digitale) aangiften voor de omzetbelasting ten name van haar, [verdachte rechtspersoon] ., over het derde kwartaal 2020, het vierde kwartaal 2020 en/of het eerste kwartaal 2021, telkens onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft doen/laten doen, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;
2
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2021 tot en met 16 oktober 2023 in de gemeenten Arnhem, Nijmegen en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één of meerdere aangiften voor de omzetbelasting ten name van haar, [verdachte rechtspersoon] ., over het tweede kwartaal 2021, het derde kwartaal 2021 en/of het vierde kwartaal 2021, niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen/Belastingdienst gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.