Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-29
ECLI:NL:RBROT:2025:5160
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,835 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2820
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker
(gemachtigde: mr. I.I. Schuitemaker),
en
het college van burgemeester en wethouders van [plaats 1] , het college
(gemachtigde: mr. A. Hielkema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een briefadres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 februari 2025 afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Verzoeker had een woning gehuurd op het [adres 1] in [plaats 1] . Het huurcontract voor deze woning is geëindigd op 8 januari 2025. Verzoeker heeft een urgentieverklaring gekregen en hoopt snel een nieuwe woning te kunnen bemachtigen.
Verzoeker heeft een relatie gehad met [persoon A] . Zij woont op het [adres 2] in [plaats 2] . Verzoeker is nog steeds bevriend met zijn ex-partner en hij logeert regelmatig bij haar in huis. Ook verblijft hij in de weekenden geregeld bij familie.
2.2.
Verzoeker stelt een briefadres nodig te hebben omdat de woning [adres 1] in [plaats 1] te koop staat en hij na verkoop van de woning niet langer ingeschreven kan staan op dat adres en hij ook nog geen andere woning heeft.
2.3.
Omdat verzoeker volgens het college merendeels op het [adres 2] in [plaats 2] verblijft, is dit adres door het college als woonadres aangemerkt. Het college heeft verzoeker kenbaar gemaakt dat verzoeker zich volgens de Wet basisregistratie personen (Wet brp) als bewoner met dit woonadres moet inschrijven.
Is er een spoedeisend belang?
3.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bezien of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
3.2.
Verzoeker heeft gesteld dat het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat hij op dit moment geen (formeel) woonadres heeft. Verzoeker loopt hierdoor het risico zijn zorgtoeslag, zijn Ziektewet-uitkering en studiefinanciering kwijt te raken. Verder is van belang dat verzoeker schulden heeft. Als hij zijn inkomsten kwijtraakt, kan hij immers niet meer aan zijn betalingsverplichtingen voldoen. Ook zal verzoeker niet meer voor zijn dochtertje kunnen zorgen als hij zijn inkomsten verliest. Verzoeker heeft verder nog gesteld dat de woning [adres 1] in [plaats 1] binnenkort verkocht zal worden omdat er al biedingen op de woning zijn uitgebracht. Bovendien kan de huidige eigenaar niet dagelijks aanwezig zijn om verzoeker zijn post te laten ophalen, terwijl het voor verzoeker in verband met zijn schulden van belang is snel over zijn post te kunnen beschikken. Dat dit niet kan, veroorzaakt veel stress bij verzoeker.
3.3.
De voorzieningenrechter ziet hierin onvoldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. Verzoeker staat momenteel in de brp nog steeds ingeschreven op het [adres 1] in [plaats 1] , het adres waar hij tot 8 januari 2025 (de datum waarop de huurovereenkomst is geëindigd) heeft gewoond. Weliswaar staat de woning volgens verzoeker te koop, maar de woning is nog niet verkocht. Er zijn op dit moment nog onvoldoende concrete aanwijzingen dat de overdracht van deze woning op zeer korte termijn zal worden gerealiseerd en de inschrijving van eiser op dit adres zal eindigen. Het besluit van 21 februari 2025 heeft dus nog geen directe financiële consequenties voor verzoeker. Dat verzoeker ernstige financiële problemen zal krijgen bij voortzetting van de huidige situatie waarin hij op afspraak zijn post ophaalt bij de huidige eigenaar, of dat voortzetting voor verzoeker psychisch te belastend zal zijn, is niet met stukken onderbouwd.
Is er sprake van een evidente onrechtmatigheid?
3.4.
Omdat in dit geval geen sprake is van een spoedeisend belang, kan het verzoek alleen worden toegewezen als het besluit van 21 februari 2025 volgens de voorzieningenrechter evident onrechtmatig is. Hiervan is in dit geval niet gebleken.
3.5.
Verzoeker heeft in zijn aanvraag het [adres 2] in [plaats 2] als gewenst briefadres opgegeven. Namens het college is ter zitting medegedeeld dat in de bezwaarfase zal worden beoordeeld of de aanvraag van verzoeker breed moet worden opgevat, in die zin dat het ervoor moet worden gehouden dat verzoekers aanvraag ertoe strekt een briefadres te verkrijgen in de gemeente [plaats 2] of in de gemeente [plaats 1] . Indien de aanvraag (uitsluitend) moet worden gezien als een aanvraag om een briefadres in [plaats 2] , is niet het college van de gemeente [plaats 1] bevoegd, maar het college van de gemeente [plaats 2] . Het primaire besluit van 21 februari 2025 zal in dat geval door het college worden ingetrokken.
3.6.
Wie er ook bevoegd is, in het besluit van 21 februari 2025 heeft het college het [adres 2] in [plaats 2] als woonadres in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder o, van de Wet brp kunnen aanmerken, aangezien dit het adres is waar verzoeker naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten totdat hij een andere woning heeft gevonden. De stelling dat de ex-partner van verzoeker dit mogelijk niet (altijd) zal toelaten, is te vaag en onzeker om anders te oordelen.
Conclusie
4. Omdat het verzoek wordt afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang, komt de voorzieningenrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige verzoek. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2025.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.