Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-23
ECLI:NL:RBROT:2025:4853
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
893 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2798
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaatsnaam], verzoekster
(gemachtigde: mr. R. Moghni),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. W. Breure).
Inleiding
1. Met het bestreden besluit van 9 januari 2025 heeft het college bepaald dat verzoekster geen zorg en ondersteuning meer kan inkopen bij haar zorgaanbieder Agnes Zorg, dat zij voor 10 april 2025 een nieuwe zorgaanbieder moet kiezen en dat vanaf 11 april 2025 de ondersteuning die Agnes Zorg aan verzoekster levert niet meer wordt betaald vanuit de gemeente Rotterdam. Verzoekster heeft hiertegen op 26 maart 2025 bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter op 26 maart 2025 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling
Toetsingskader
3. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 53,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?
4. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 28 maart 2025 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 1 april 2025 om 11:28 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
5. Er is niet gebleken dat er een verontschuldiging is voor dit verzuim.
Conclusie
6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.