Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-02
ECLI:NL:RBROT:2025:4548
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,410 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/156357-23
Datum uitspraak: 2 april 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres].
Raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. R.P.L. van Loon heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 1 primair en feit 2
Het ten laste gelegde feit 1 primair is door de verdachte bekend en zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
De bewezenverklaring voor feit 2 volgt uit de bewijsmiddelen in het dossier die zijn genoemd in bijlage III, zodat ook dit feit zonder nadere bespreking bewezen zal worden verklaard.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring van feit 1 primair redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van feit 2 redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
1. primair.
hij op 2 mei 2023 te Rotterdam,
aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- een gebroken enkel en
- een gebroken jukbeen en
- een gebroken kaak en
- een gebroken oogkas,
heeft toegebracht,
door voornoemde [slachtoffer 1]:
- op/tegen het been te schoppen en/of trappen, en- meermalen met gebalde vuisttegen het hoofd en het lichaam, te stompen, en slaan terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag.
2.
hij op 2 mei 2023 te Rotterdam,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] met de vlakke hand tegen het gezicht te slaan.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1 primair.
zware mishandeling;
2.
mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Feiten
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
De verdachte heeft [slachtoffer 1] zwaar mishandeld en [slachtoffer 2] mishandeld. Wat voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een leuke uitgaansavond had moeten zijn, is voor hen veranderd in een gewelddadige avond door toedoen van de verdachte. Terwijl zij met hun auto de parkeergarage wilden verlaten heeft de verdachte met hen de confrontatie opgezocht zonder dat daarvoor enige redelijke aanleiding bestond. De verdachte gedroeg zich provocerend en intimiderend. Hij heeft [slachtoffer 2] in haar gezicht geslagen en [slachtoffer 1] is door hem onderuit geschopt en terwijl hij op de grond lag heeft de verdachte hem onder meer tegen het hoofd gestompt. De verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het incident zeven tot acht glazen Cognac had gedronken en dat dit zijn reactie heeft beïnvloed. Hij heeft verklaard zich weinig meer te kunnen herinneren van wat er die avond is gebeurd. [slachtoffer 1] heeft door de mishandeling botbreuken in het gezicht en in het onderbeen opgelopen en hij heeft een operatie moeten ondergaan waarbij de botbreuk in het onderbeen werd rechtgezet middels twee schroeven. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat [slachtoffer 1] als gevolg van de mishandeling nog steeds dagelijks last heeft van zijn enkel en dat hij daardoor onder andere niet meer kan voetballen. Ook mentaal heeft het een grote impact op hem gehad. Hij is zijn veiligheidsgevoel verloren en gaat sinds de mishandeling niet meer uit. Het delict heeft hem beperkt in zijn vrijheid en plezier.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
28 februari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank kiest hier niet voor. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er inmiddels bijna 2 jaren zijn verstreken sinds de verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd. Verder zijn er sindsdien de nodige positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte; hij heeft een vriendin, een woning en een baan, en is de verdachte niet opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal naar alle waarschijnlijk een negatieve invloed hebben op deze goede ontwikkelingen.
Het baart de rechtbank wel zorgen dat de verdachte, hoewel hij zich ter zitting schuldbewust heeft getoond, niet goed kon aangeven waarom hij tot het plegen van het heftige geweld is overgegaan. De rechtbank zal daarom een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om het plegen van nieuwe strafbare feiten door de verdachte in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen.
De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen van 120 dagen waarvan 118 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Nu de verdachte twee dagen in voorarrest heeft gezeten en het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf hiertoe wordt beperkt, resteert na aftrek van voorarrest geen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf. Daarnaast zal aan de verdachte de maximale taakstraf van 240 uur worden opgelegd.
8Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 10.388,78 aan materiële schade en een vergoeding van € 15.000,00 aan immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade van € 10.388,78 bestaat uit de schadeposten eigen risico (€ 385,00), medicatie (€ 60,26), reiskosten (€ 100,00), kleding (€ 50,00), huishoudelijke hulp
(€ 1.085,50), persoonlijke verzorging (€ 240,00), aanvraag medisch advies (€ 1.734,01) en verlies van verdienvermogen (€ 5.000,00).
8.1.
Standpunt officier van justitie
De vordering kan integraal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De schadeposten eigen risico, medicatie en kleding worden niet betwist. De schadeposten huishoudelijke hulp, aanvraag medisch advies, persoonlijke verzorging en verlies van verdienvermogen zijn onvoldoende onderbouwd en de benadeelde partij dient nietontvankelijk te worden verklaard in dat deel van de vordering, subsidiair dienen de twee laatstgenoemde schadeposten gematigd te worden.
8.3.
Beoordeling
Materiële schade
Een deel van de schadeposten is niet betwist. Het gaat om de schadeposten die te maken hebben met het eigen risico (€ 385,00), medicatie (€ 60,26) en kleding (€ 50,00).
Dit deel van de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
De schadeposten reiskosten, persoonlijke verzorging, aanvraag medisch advies en verlies van verdienvermogen zijn genoegzaam onderbouwd en komen de rechtbank voor als voor de hand liggende (buitengerechtelijke) kostenposten als gevolg van de gepleegde feiten en het daardoor bij de verdachte ontstane letsel. Nu deze schadeposten bovendien niet gemotiveerd zijn betwist door de verdachte, zullen zij eveneens geheel worden toegewezen.
Ten aanzien van de schadepost huishoudelijke hulp maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid. Deze schade wordt geschat op € 500,00.
De benadeelde partij zal voor het resterende deel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Daarnaast heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de gevorderde immateriële schade. Gelet op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat € 7.500,00 aan immateriële schade billijk is, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.
De benadeelde partij zal voor het overige nietontvankelijk worden verklaard.
Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente voor de abstract berekende schade vanaf 2 mei 2023 tot aan de dag der algehele betaling en voor de concreet berekende schade vanaf de betaaldatum door de benadeelde partij tot aan de dag der algehele betaling.
De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente. Voor de posten kleding en immateriële schade zullen de bedragen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het bewezenverklaarde, 2 mei 2023.
De vergoeding voor de post medisch advies zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van deze factuur, 5 maart 2025, nu de raadsvrouw van de benadeelde partij ter zitting onbetwist heeft gesteld dat de factuur direct na ontvangst door de benadeelde partij is voldaan.
Ten aanzien van de posten eigen risico, medicatie, reiskosten, huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en verlies verdienvermogen zullen de bedragen, bij gebreke van concrete aanknopingspunten op welk moment deze schade is geleden, worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van deze uitspraak, 2 april 2025.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 15.569,27, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 118 (honderdachttien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 15.569,27 (zegge: vijftienduizend vijfhonderdnegenenzestig euro en zevenentwintig eurocent), bestaande uit € 8.069,27 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de data zoals hieronder weergegeven tot aan de dag der algehele voldoening;
Kleding
2 mei 2023
Immateriële schade
2 mei 2023
Medisch advies
5 maart 2025
Eigen risico
2 april 2025
Medicatie
2 april 2025
Reiskosten
2 april 2025
Huishoudelijke hulp
2 april 2025
Persoonlijke verzorging
2 april 2025
Verlies verdienvermogen
2 april 2025
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij] te betalen € 15.569,27 (zegge: vijftienduizendvijfhonderdnegenenzestig euro en zevenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde data per post tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 15.569,27 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 113 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. J.F. Koekebakker en D.F. Smulders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 2 mei 2023 te Rotterdam
aan [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- een gebroken en/of verbrijzelde enkel en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde jukbeen en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde kaak en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde oogkas, heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer 1]
:
- op/tegen de enkel, althans het been te schoppen en/of trappen, en/of
- meermalen, althans eenmaal,(met gebalde vuist)in/op/tegen het gezicht,
althans het hoofd en/of het lichaam, te stompen en/of slaan terwijl die
[slachtoffer 1] op de grond lag;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 mei 2023 te Rotterdam
[slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1]
meerdere malen, althans eenmaal op/in/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of
op/in/tegen de benen, althans het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of te
slaan en/of te duwen, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- een gebroken en/of verbrijzelde enkel en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde jukbeen en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde kaak en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde oogkas, ten gevolge heeft gehad
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 2 mei 2023 te Rotterdam
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] één of meermalen met de vlakke
hand in/op /tegen het gezicht en/of met (kracht) met de vuist in/op/tegen de slaap,
althans het hoofd te slaan en/of stompen, waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/156357-23
Datum uitspraak: 2 april 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres].
Raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. R.P.L. van Loon heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 1 primair en feit 2
Het ten laste gelegde feit 1 primair is door de verdachte bekend en zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
De bewezenverklaring voor feit 2 volgt uit de bewijsmiddelen in het dossier die zijn genoemd in bijlage III, zodat ook dit feit zonder nadere bespreking bewezen zal worden verklaard.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring van feit 1 primair redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van feit 2 redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
1. primair.
hij op 2 mei 2023 te Rotterdam,
aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- een gebroken enkel en
- een gebroken jukbeen en
- een gebroken kaak en
- een gebroken oogkas,
heeft toegebracht,
door voornoemde [slachtoffer 1]:
- op/tegen het been te schoppen en/of trappen, en- meermalen met gebalde vuisttegen het hoofd en het lichaam, te stompen, en slaan terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag.
2.
hij op 2 mei 2023 te Rotterdam,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] met de vlakke hand tegen het gezicht te slaan.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1 primair.
zware mishandeling;
2.
mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Feiten
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
De verdachte heeft [slachtoffer 1] zwaar mishandeld en [slachtoffer 2] mishandeld. Wat voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een leuke uitgaansavond had moeten zijn, is voor hen veranderd in een gewelddadige avond door toedoen van de verdachte. Terwijl zij met hun auto de parkeergarage wilden verlaten heeft de verdachte met hen de confrontatie opgezocht zonder dat daarvoor enige redelijke aanleiding bestond. De verdachte gedroeg zich provocerend en intimiderend. Hij heeft [slachtoffer 2] in haar gezicht geslagen en [slachtoffer 1] is door hem onderuit geschopt en terwijl hij op de grond lag heeft de verdachte hem onder meer tegen het hoofd gestompt. De verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het incident zeven tot acht glazen Cognac had gedronken en dat dit zijn reactie heeft beïnvloed. Hij heeft verklaard zich weinig meer te kunnen herinneren van wat er die avond is gebeurd. [slachtoffer 1] heeft door de mishandeling botbreuken in het gezicht en in het onderbeen opgelopen en hij heeft een operatie moeten ondergaan waarbij de botbreuk in het onderbeen werd rechtgezet middels twee schroeven. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat [slachtoffer 1] als gevolg van de mishandeling nog steeds dagelijks last heeft van zijn enkel en dat hij daardoor onder andere niet meer kan voetballen. Ook mentaal heeft het een grote impact op hem gehad. Hij is zijn veiligheidsgevoel verloren en gaat sinds de mishandeling niet meer uit. Het delict heeft hem beperkt in zijn vrijheid en plezier.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
28 februari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank kiest hier niet voor. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er inmiddels bijna 2 jaren zijn verstreken sinds de verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd. Verder zijn er sindsdien de nodige positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte; hij heeft een vriendin, een woning en een baan, en is de verdachte niet opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal naar alle waarschijnlijk een negatieve invloed hebben op deze goede ontwikkelingen.
Het baart de rechtbank wel zorgen dat de verdachte, hoewel hij zich ter zitting schuldbewust heeft getoond, niet goed kon aangeven waarom hij tot het plegen van het heftige geweld is overgegaan. De rechtbank zal daarom een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om het plegen van nieuwe strafbare feiten door de verdachte in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen.
De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen van 120 dagen waarvan 118 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Nu de verdachte twee dagen in voorarrest heeft gezeten en het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf hiertoe wordt beperkt, resteert na aftrek van voorarrest geen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf. Daarnaast zal aan de verdachte de maximale taakstraf van 240 uur worden opgelegd.
8Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 10.388,78 aan materiële schade en een vergoeding van € 15.000,00 aan immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade van € 10.388,78 bestaat uit de schadeposten eigen risico (€ 385,00), medicatie (€ 60,26), reiskosten (€ 100,00), kleding (€ 50,00), huishoudelijke hulp
(€ 1.085,50), persoonlijke verzorging (€ 240,00), aanvraag medisch advies (€ 1.734,01) en verlies van verdienvermogen (€ 5.000,00).
8.1.
Standpunt officier van justitie
De vordering kan integraal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De schadeposten eigen risico, medicatie en kleding worden niet betwist. De schadeposten huishoudelijke hulp, aanvraag medisch advies, persoonlijke verzorging en verlies van verdienvermogen zijn onvoldoende onderbouwd en de benadeelde partij dient nietontvankelijk te worden verklaard in dat deel van de vordering, subsidiair dienen de twee laatstgenoemde schadeposten gematigd te worden.
8.3.
Beoordeling
Materiële schade
Een deel van de schadeposten is niet betwist. Het gaat om de schadeposten die te maken hebben met het eigen risico (€ 385,00), medicatie (€ 60,26) en kleding (€ 50,00).
Dit deel van de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
De schadeposten reiskosten, persoonlijke verzorging, aanvraag medisch advies en verlies van verdienvermogen zijn genoegzaam onderbouwd en komen de rechtbank voor als voor de hand liggende (buitengerechtelijke) kostenposten als gevolg van de gepleegde feiten en het daardoor bij de verdachte ontstane letsel. Nu deze schadeposten bovendien niet gemotiveerd zijn betwist door de verdachte, zullen zij eveneens geheel worden toegewezen.
Ten aanzien van de schadepost huishoudelijke hulp maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid. Deze schade wordt geschat op € 500,00.
De benadeelde partij zal voor het resterende deel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Daarnaast heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de gevorderde immateriële schade. Gelet op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat € 7.500,00 aan immateriële schade billijk is, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.
De benadeelde partij zal voor het overige nietontvankelijk worden verklaard.
Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente voor de abstract berekende schade vanaf 2 mei 2023 tot aan de dag der algehele betaling en voor de concreet berekende schade vanaf de betaaldatum door de benadeelde partij tot aan de dag der algehele betaling.
De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente. Voor de posten kleding en immateriële schade zullen de bedragen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het bewezenverklaarde, 2 mei 2023.
De vergoeding voor de post medisch advies zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van deze factuur, 5 maart 2025, nu de raadsvrouw van de benadeelde partij ter zitting onbetwist heeft gesteld dat de factuur direct na ontvangst door de benadeelde partij is voldaan.
Ten aanzien van de posten eigen risico, medicatie, reiskosten, huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en verlies verdienvermogen zullen de bedragen, bij gebreke van concrete aanknopingspunten op welk moment deze schade is geleden, worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van deze uitspraak, 2 april 2025.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 15.569,27, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 118 (honderdachttien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 15.569,27 (zegge: vijftienduizend vijfhonderdnegenenzestig euro en zevenentwintig eurocent), bestaande uit € 8.069,27 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de data zoals hieronder weergegeven tot aan de dag der algehele voldoening;
Kleding
2 mei 2023
Immateriële schade
2 mei 2023
Medisch advies
5 maart 2025
Eigen risico
2 april 2025
Medicatie
2 april 2025
Reiskosten
2 april 2025
Huishoudelijke hulp
2 april 2025
Persoonlijke verzorging
2 april 2025
Verlies verdienvermogen
2 april 2025
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij] te betalen € 15.569,27 (zegge: vijftienduizendvijfhonderdnegenenzestig euro en zevenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde data per post tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 15.569,27 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 113 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. J.F. Koekebakker en D.F. Smulders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 2 mei 2023 te Rotterdam
aan [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- een gebroken en/of verbrijzelde enkel en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde jukbeen en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde kaak en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde oogkas, heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer 1]
:
- op/tegen de enkel, althans het been te schoppen en/of trappen, en/of
- meermalen, althans eenmaal,(met gebalde vuist)in/op/tegen het gezicht,
althans het hoofd en/of het lichaam, te stompen en/of slaan terwijl die
[slachtoffer 1] op de grond lag;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 mei 2023 te Rotterdam
[slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1]
meerdere malen, althans eenmaal op/in/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of
op/in/tegen de benen, althans het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of te
slaan en/of te duwen, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- een gebroken en/of verbrijzelde enkel en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde jukbeen en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde kaak en/of
- een gebroken en/of verbrijzelde oogkas, ten gevolge heeft gehad
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 2 mei 2023 te Rotterdam
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] één of meermalen met de vlakke
hand in/op /tegen het gezicht en/of met (kracht) met de vuist in/op/tegen de slaap,
althans het hoofd te slaan en/of stompen, waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)