Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-16
ECLI:NL:RBROT:2025:4483
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,644 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5645
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit Rotterdam, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. C.M. van der Vlies).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 4 juni 2024. Het bestreden besluit strekt tot het handhaven van de afwijzing van het verzoek tot toekennen van de bestuurlijke dwangsom.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.
2.1.
Eiser heeft in juli 2023 meerdere keren contact gehad met het college naar aanleiding van een door hem op 27 juli 2023 bij het college ingediende klachtbeschrijving, waarin hij de gemeente Rotterdam oproept om discriminatie te stoppen en mensenrechten toe te kennen aan alle mensen. Bij de vraag wat eiser wil dat de gemeente doet naar aanleiding van de klacht is ingevuld: ‘De geschiedenis heeft geleerd dat incidenten eerder bijdragen aan collectief bewustzijn dan aan organisaties’. Eiser en (een medewerker van) het college hebben vervolgens telefonisch en via de e-mail uitvoerig met elkaar gecorrespondeerd over mensenrechten, het slavernijverleden, de gevolgen en de effecten van het slavernijverleden en de positionering van de gemeente Rotterdam ten opzichte van dit verleden.
2.2.
Met zijn brief van 1 augustus 2023 (de brief) heeft eiser te kennen gegeven dat hij de reacties van het college als geheel teleurstellend en discriminerend vindt. In die brief schrijft hij ook: “In die zin dien ik een verzoek in bij het bevoegd gezag om de algemene aanpak te personaliseren.”
2.3.
Op 14 augustus 2023 heeft het college een brief gestuurd aan eiser waarin het college schrijft van mening te zijn dat het standpunt van de gemeentelijke organisatie voldoende is toegelicht. Het college schrijft daarbij dat over dit onderwerp niet verder met eiser zal worden gecorrespondeerd.
2.4.
Op 17 augustus 2023 stuurt eiser een e-mail in reactie op de brief van 14 augustus 2023. Hierin benoemt eiser dat de brief in zijn ogen geen inhoudelijke afhandeling van de klacht is en hij verzoekt om de daadwerkelijke klachtafhandeling bij te voegen. Vervolgens dient eiser op 13 maart 2024 het ‘formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen’ in. Hij verzoekt het college middels dit formulier tot het nemen van een dwangsombeschikking. Met het primaire besluit van 26 maart 2024 wijst het college dit verzoek af. Het college legt hieraan ten grondslag dat de brief van eiser is gekwalificeerd als een informatieverzoek. Een informatieverzoek is geen aanvraag zoals bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb en daarom is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (de Wet dwangsom) niet van toepassing.
2.5.
Eiser heeft hiertegen op 28 maart 2024 bezwaar ingesteld. Volgens eiser moet zijn brief gezien worden als een verzoek tot het creëren of wijzigen van het beleid van de gemeente Rotterdam. Met het bestreden besluit van 4 juni 2024 handhaaft het college de afwijzing van het verzoek om toekenning van de bestuurlijke dwangsom. Het college legt hieraan ten grondslag dat zelfs als het zou gaan om een verzoek om het beleid aan te passen, dit niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb.
Beoordeling
3. Eiser betoogt in beroep dat het college zijn brief onjuist heeft gekwalificeerd. Het college wil zelf bepalen wat eiser met zijn verzoek bedoelt en wil daarmee zijn verplichting tot goed bestuur omzeilen. Eiser verzoekt dringend dat het mensenrechtenverdrag wordt gehandhaafd door het college en vraagt zelfs beleidsverandering als dit nodig is voor de implementatie van mensenrechten.
3.1.
Voor de vraag of het verzoek tot toekenning van de bestuurlijke dwangsom terecht is afgewezen dient eerst de vraag beantwoord te worden of het college een besluit had moeten nemen op de brief van eiser van 1 augustus 2024. Tussen partijen is in dat kader in geschil hoe de brief moet worden gezien en of deze brief kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb die het college verplicht om een besluit te nemen.
3.2.
Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de vraag hoe de brief van eiser gekwalificeerd moet worden in dit geval niet relevant is. Een verzoek tot het vaststellen van bepaald beleid kan niet gezien worden als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dit geldt ook voor een informatieverzoek. Om die reden bestond er voor het college geen verplichting om een besluit te nemen. Het college heeft het verzoek tot toekenning van de bestuurlijke dwangsom dan ook terecht afgewezen, omdat in dit geval de Wet dwangsom niet van toepassing is.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag tot toekenning van de bestuurlijke dwangsom terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2025.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.