Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-19
ECLI:NL:RBROT:2025:4272
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,208 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 19 maart 2025
op het verzoek van:
[verzoekster]
,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] .
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt toegewezen. Daarnaast verzoekt mevrouw [verzoekster] om de ingangsdatum van de WSNP vast te stellen op 19 mei 2024. Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Procesverloop
1.1.
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 5 maart 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- mevrouw [verzoekster] ,
- mevrouw [persoon A] , schuldhulpverlener.
Beoordeling
De toelating
2.1.
Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de WSNP als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de WSNP zal voldoen.
2.2.
Mevrouw [verzoekster] wordt toegelaten tot de WSNP.
Goede-trouw-toets
2.3.
Mevrouw [verzoekster] heeft een schuld laten ontstaan bij de Belastingdienst in het kader van kinderopvangtoeslag. Ook heeft zij een aanzienlijke schuld bij de kinderopvang. De door haar ontvangen kinderopvangtoeslag is namelijk niet uitgegeven voor de opvang van de kinderen, terwijl zij wel naar de opvang gingen. Mevrouw [verzoekster] moest verhuizen in verband met de zorg voor haar moeder. Op het moment dat zij verhuisde, had zij bijzondere bijstand aangevraagd voor de verhuis- en inrichtingskosten. Toen die aanvraag voor de derde maal werd afgewezen, heeft zij de door haar ontvangen kinderopvangtoeslag aangewend voor de verhuis- en inrichtingskosten. Deze schuld is naar haar aard niet te goeder trouw ontstaan, althans onbetaald gelaten, en staat in beginsel aan toelating in de weg.
Hardheidsclausule
2.4.
Ondanks het ontbreken van de goede trouw, kan het verzoek wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat mevrouw [verzoekster] de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van deze schuld onder controle heeft gekregen en een wending ten goede is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. Mevrouw [verzoekster] heeft inmiddels budgetbeheer. Ook heeft zij zich aangemeld bij het wijkteam. Hierdoor is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat mevrouw [verzoekster] de verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.
Verplichtingen
2.5.
De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de WSNP moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting. Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert of de verplichtingen worden nagekomen. Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
2.6.
Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het WSNP-traject houdt aan alle verplichtingen die de WSNP met zich brengt, eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de WSNP werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen.
2.7.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster] .
Bevoegdheid
2.8.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.
De ingangsdatum
2.9.
Het WSNP-traject duurt in principe 18 maanden. De Faillissementswet bepaalt dat de termijn van de WSNP in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de termijn eerder te laten ingaan.
2.10.
Ter zitting is namens mevrouw [verzoekster] verzocht de termijn tien maanden eerder te laten ingaan, omdat mevrouw [verzoekster] tijdens die periode al heeft afgedragen.
2.11.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Het vtlb wordt berekend met de vtlb-calculator die via het internet beschikbaar is. Om voor een eerdere ingangsdatum in aanmerking te komen, moet dus maandelijks sprake zijn van aflossingen die tenminste gelijk zijn aan het genoemde verschil tussen de netto inkomsten en het vtlb. Daarnaast moet er bij arbeidsgeschiktheid fulltime (36 uur) gewerkt worden. Indien niet fulltime wordt gewerkt en er is sprake van arbeidsgeschiktheid, dan moet er aantoonbaar minimaal vier keer per maand gesolliciteerd worden naar een fulltime baan.
2.12.
Nog los van de vraag of tijdens het schuldhulpverleningstraject aan alle andere verplichtingen is voldaan, kan de rechtbank op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet vaststellen dat mevrouw [verzoekster] tijdens het minnelijke voortraject aan de vereiste inspanningsverplichting heeft voldaan. Zij heeft namelijk gedurende dat traject niet (fulltime) gewerkt en ook niet gesolliciteerd. Ook is aan mevrouw [verzoekster] geen ontheffing verleend door de gemeente waardoor die sollicitatieplicht voor haar niet zou gelden.
2.13.
De rechtbank komt dus tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
Dictum
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster]
,
geboren op [geboortedatum] -1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout
en tot bewindvoerder S.H.J. Nanuruw,
gevestigd te Postbus 68,
2650 AB Berkel en Rodenrijs;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 19 maart 2025 en de einddatum op 19 september 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van mevrouw [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Deze vergoeding is gelijk aan 1/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van dat Besluit te berekenen vergoeding. Dit kan alleen:
- zolang de schuldsaneringsregeling loopt en,
- voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met mr. T.M.M. de Laat, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.