Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-17
ECLI:NL:RBROT:2025:4162
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,274 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11359436 CV EXPL 24-25984
datum uitspraak: 17 januari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Quick Incasso B.V.,
gevestigd te Katwijk,
eiseres,
gemachtigde: [persoon A] ,
tegen
[gedaagde] , die handelt onder de namen [handelsnaam 1] , [handelsnaam 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert, zonder bijstand van een gemachtigde.
Partijen worden hierna ‘Quick Incasso’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 2 oktober 2024, met bijlagen;
de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ;
de repliek, met bijlagen;
de repliek;
de mail van [gedaagde] van 17 december 2024, met bijlagen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Quick Incasso eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 1.801,69 aan haar te betalen. Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, eist Quick Incasso dat [gedaagde] ook een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente moet betalen. Quick Incasso legt aan haar eis het volgende ten grondslag. Verburgh Advies en Backoffice B.V. (hierna: Verburgh) en [gedaagde] hebben een overeenkomst van opdracht gesloten voor het verrichten van administratieve werkzaamheden. Volgens Quick Incasso hebben Verburgh en [gedaagde] daarbij afgesproken dat Verburgh de administratie van [gedaagde] voor 2023 zou verrichten tegen betaling van een vast bedrag van € 132,00 per maand exclusief btw. Omdat de boekhouding van [gedaagde] over het jaar 2021 niet compleet was, hebben Verburgh en [gedaagde] volgens Quick Incasso daarnaast afgesproken dat Verburgh de administratie van [gedaagde] over het jaar 2021 in orde zou maken voor een bedrag van € 35,00 per uur exclusief btw. Volgens Quick Incasso heeft [gedaagde] drie facturen die Verburgh voor de administratieve werkzaamheden in rekening heeft gebracht, niet betaald. Verburgh heeft haar vorderingen op [gedaagde] door middel van cessie aan Quick Incasso overgedragen.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van Quick Incasso. Volgens [gedaagde] is hij met Verburgh enkel overeengekomen dat Verburgh voor het jaar 2023 zijn administratie zou doen voor een vast bedrag van € 132,00 per maand exclusief btw. Hij heeft voor deze werkzaamheden alle facturen betaald. [gedaagde] betwist dat hij daarnaast met Verburgh heeft afgesproken dat zij ook zijn administratie over 2021 zou doen tegen betaling van een bedrag van € 35,00 per uur exclusief btw.
2.3.
De kantonrechter wijst een deel van de eis van Quick Incasso toe. Hieronder wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[gedaagde] moet de facturen van september en oktober 2023 betalen
2.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat Verburgh en [gedaagde] overeengekomen zijn dat Verburgh voor het jaar 2023 de administratie van [gedaagde] zou verzorgen tegen betaling van een vast bedrag van € 132,00 per maand exclusief btw. Volgens Quick Incasso heeft [gedaagde] de facturen van september en oktober 2023 niet betaald. Hoewel [gedaagde] stelt dat hij alle facturen voor de werkzaamheden over 2023 heeft betaald, heeft hij geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij ook de facturen van september en oktober 2023 heeft betaald. Daarbij heeft [gedaagde] in de e-mail van 17 december 2024 – welke e-mail door [gedaagde] zelf is overgelegd – aan Quick Incasso laten weten dat hij de facturen tot en met augustus 2023 heeft betaald. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] zijn stelling dat hij de facturen van september en oktober 2023 al heeft betaald, onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagde] moet daarom de facturen van september en oktober 2023 – een totaalbedrag van € 319,44 inclusief btw (twee x € 159,72) – aan Quick Incasso betalen. Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] hoeft de factuur voor de werkzaamheden over 2021 niet te betalen
2.5.
Quick Incasso vordert verder betaling van de factuur van 5 oktober 2023 die betrekking heeft op de werkzaamheden voor het in orde maken van de administratie van [gedaagde] over 2021. Verburgh heeft voor deze werkzaamheden een bedrag van € 1.482,25 inclusief btw in rekening gebracht. Quick Incasso stelt dat Verburgh en [gedaagde] overeengekomen zijn dat Verburgh deze werkzaamheden tegen een tarief van € 35,00 per uur exclusief btw voor [gedaagde] zou verrichten. Dit is door [gedaagde] uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. De stelplicht en bewijslast van de stelling dat Verburgh en [gedaagde] dit overeengekomen zijn, ligt bij Quick Incasso. Dit volgt uit artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.). Hoewel Quick Incasso ter onderbouwing van haar stelling verschillende e-mailberichten tussen Verburgh en [gedaagde] heeft overgelegd, blijkt uit geen van de overgelegde stukken dat [gedaagde] aan Verburgh opdracht heeft gegeven om werkzaamheden ten aanzien van het jaar 2021 uit te voeren. Op grond van het hiervoor genoemde artikel 150 Rv, rust het bewijs van de stelling dat [gedaagde] wel degelijk opdracht heeft gegeven om over het belastingjaar 2021 administratieve werkzaamheden te verrichten op Quick Incasso. Zij heeft echter noch in de dagvaarding, noch bij repliek bewijs aangeboden. Juist gezien het feit dat [gedaagde] niet alleen in de onderhavige procedure, maar ook in de correspondentie voorafgaande aan de procedure met klem de gestelde opdracht heeft betwist, had het op de weg van Quick Incasso gelegen om niet alleen bewijs aan te bieden, maar ook concreet te stellen op welke wijze zij dat bewijs wilde leveren. Nu dat allemaal niet gebeurd is, ziet de kantonrechter geen aanleiding om Quick Incasso ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. De conclusie luidt dan ook dat de grondslag van het deel van de vordering dat betrekking heeft op de opdracht over 2021 niet is komen vast te staan, zodat dat deel van de vordering afgewezen dient te worden.
[gedaagde] moet de incassokosten betalen
2.6.
Als vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten wordt € 57,98 toegewezen. Aan alle voorwaarden om een vergoeding voor deze kosten te krijgen is voldaan (artikel 6:96 BW). Wel zijn de buitengerechtelijke incassokosten alleen berekend over het bedrag dat aan hoofdsom wordt toegewezen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.7.
Quick Incasso heeft recht op de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW. Quick Incasso heeft namelijk genoeg gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] heeft dat niet betwist. Omdat hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde] slechts een bedrag van € 319,44 aan Quick Incasso is verschuldigd, wordt de rente alleen over dit bedrag toegewezen. Daarbij moet [gedaagde] de rente betalen over € 159,72 vanaf 18 september 2023 en over € 159,72 vanaf 17 oktober 2023 tot de dag dat volledig is betaald.
De proceskosten
2.8.
Nu partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van het geding te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Quick Incasso dat vordert en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Quick Incasso te betalen € 319,44 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over €159,72 vanaf 18 september 2023 en over € 159,72 vanaf 17 oktober 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
compenseert de kosten van het geding, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
62828