Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-21
ECLI:NL:RBROT:2025:3694
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,996 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4429
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. J.F. Cheung),
en
de Dienst Toeslagen
(gemachtigde: mr. S. Heersink en mr. E. Thomas).
Samenvatting
1. Eiseres is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen(Wht) compensatie gekregen over de toeslagjaren 2011 en 2015. Het beroep leidt niet tot een hogere compensatie voor deze toeslagjaren.
Procesverloop
2. De Dienst Toeslagen heeft met drie besluiten van 18 augustus 2022 de kinderopvangtoeslag van eiseres herbeoordeeld en op grond van de Wht een bedrag van € 16.763,- compensatie toegekend over de toeslagjaren 2011 en 2015. Met het bestreden besluit van 25 maart 2024 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en een aanvullende rentevergoeding toegekend en vervolgens de daaraan gerelateerde componenten aangepast.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Eiseres heeft een aanvullend stuk ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft zich op 8 juni 2021 bij de Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2016. De Dienst Toeslagen heeft onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor compensatie en geconcludeerd dat eiseres recht heeft op compensatie voor de maanden januari, februari, augustus tot en met december in 2011 en januari tot en met juni 2015. Voor de overige maanden en jaren komt eiseres niet in aanmerking voor toepassing van de compensatieregeling of de hardheidscompensatie. Bij besluiten van 18 augustus 2022 met de kenmerken UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A heeft de Dienst Toeslagen de compensatie voor de jaren 2011 en 2015 definitief vastgesteld op een bedrag van € 16.763,-. Eiseres is tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat bij de rente over het jaar 2011 een verkeerde berekening is gehanteerd. Er is een aanvullende rentevergoeding toegekend en de daaraan gerelateerde componenten zijn aangepast. De definitieve compensatie is € 18.467,-. Dit heeft niet geleid tot een nabetaling, omdat dit bedrag het op grond van de Catshuisregeling betaalde compensatiebedrag van € 30.000,- niet overstijgt.
4. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen het compensatiebedrag op grond van de Wht op goede gronden heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overlegd?
6. Eiseres voert aan dat zij niet over de benodigde gegevens beschikt om het bestreden besluit adequaat te kunnen beoordelen. Volgens eiseres ontbreken het ouderdossier en een zoekvraag in het WDE-systeem met haar BSN. Verder stelt zij dat bestanden uit circa honderd netwerkschijven bij de Dienst Toeslagen ontbreken. Ook zou eiseres opgenomen kunnen zijn in het Dagboek PIT (Persoonsgericht Intensief Toezicht) en hiervan heeft de Dienst Toeslagen geen documenten overlegd. Omdat de Dienst Toeslagen wél over deze informatie beschikt, is er volgens eiseres geen sprake van equality of arms wat in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
6.1.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres graag over haar persoonlijke dossier wil beschikken, is de Dienst Toeslagen gelet op artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Het volledige dossier van eiseres is veel omvangrijker en valt niet samen met het begrip ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. De Dienst Toeslagen heeft de stukken over de herbeoordeling in het geding gebracht. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er op de zaak betrekking hebbende stukken ontbreken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiseres recht op compensatie als gevolg van verrekende toeslagen?
7. Eiseres stelt dat haar kinderopvangtoeslag onterecht is verrekend met andere toeslagen. Eiseres stelt dat zij door het verrekenen van toeslagen op basis van artikel 30 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) in een financiële noodsituatie terecht is gekomen. Ze betoogt dat het bestuursorgaan onvoldoende rekening heeft gehouden met het bestaansminimum van de schuldenaar en het effect van de verrekening op haar inkomen. Eiseres wijst erop dat de beslagvrije voet moet worden gerespecteerd. Zij stelt daarbij dat de verrekening van de kinderopvangtoeslag meer nadelige gevolgen heeft dan andere toeslagen, aangezien dit direct invloed heeft op de mogelijkheid om haar kind naar de opvang te brengen. Eiseres voert verder aan dat artikel 4:93, tweede lid, Awb voorschrijft dat het bestuursorgaan kenbaar moet maken wat verrekend wordt en voor welk bedrag, wat volgens haar niet is gebeurd. Daarom doet zij een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1 Wht.
7.1.
De Dienst Toeslagen stelt dat het onderzoek naar vooringenomen handelen en hardheid betrekking heeft op de rechtmatigheid van de toegekende of teruggevorderde toeslag. In deze beroepsprocedure staat echter niet de rechtmatigheid, maar de verrekening van teruggevorderde toeslagen centraal. De Dienst Toeslagen geeft aan dat in meerdere jaren verrekeningen hebben plaatsgevonden, voornamelijk met (voorlopige) teruggaven inkomstenbelasting en in mindere mate met kinderopvangtoeslag en huurtoeslag. De Dienst Toeslagen is op grond van artikel 30 Awir bevoegd om deze verrekeningen uit te voeren en daarom slaagt een beroep op artikel 9.1 Wht dan ook niet, aldus de Dienst Toeslagen. Verder merkt de Dienst Toeslagen op dat de beslagvrije voet vóór 1 januari 2021 niet van toepassing was op toeslagen en dat kinderopvangtoeslag ook onder de huidige regelgeving van de beslagvrije voet is uitgesloten.
7.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres is voor de toeslagjaren 2011 en 2015 aangemerkt als gedupeerde. Daarvoor heeft zij compensatie ontvangen. Het is mogelijk dat een ouder schade heeft geleden door verrekeningen in deze jaren, te meer als daarbij geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet. De hoogte van de compensatie is echter dwingendrechtelijk en forfaitair voorgeschreven in de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Voor een ouder die in een bepaald toeslagjaar als gedupeerde is aangemerkt, kan de eventuele schade door verrekening in dat jaar niet tot een hogere compensatie leiden. Voor eiseres betekent dit dat zij voor de verrekeningen die hebben plaats gehad in de toeslagjaren 2011 en 2015 geen hogere compensatie kan krijgen.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het systeem van de Wht en de wetsgeschiedenis dat het compensatiebedrag ook geacht moet worden betrekking te hebben op eventuele schade door verrekening van toeslagschulden in latere toeslagjaren. Het enkele feit dat in een bepaald toeslagjaar verrekening is toegepast, kan niet tot compensatie voor dat toeslagjaar leiden. Een ouder die recht heeft op compensatie en meent dat meer schade is geleden, kan een aanvraag doen om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Uit het beoordelingskader van de Commissie Werkelijke Schade blijkt ook dat bij de beoordeling van de werkelijke schade rekening wordt gehouden met verrekeningen en moeilijke langdurige financiële omstandigheden.
7.4.
Ten aanzien van eiseres’ beroep op artikel 9.1 van de Wht overweegt de rechtbank dat deze bepaling slechts toepassing vindt indien sprake is van onbillijkheden van overwegende aard die voortvloeien uit de hardheid van het wettelijke systeem zoals dat gold tot 23 oktober 2019. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat eiseres financiële moeilijkheden heeft ondervonden door de verrekeningen onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van dergelijke onbillijkheden. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd waarom de toepassing van de wet in haar geval disproportioneel hard zou zijn. Daarnaast is onduidelijk van welke Wht bepaling volgens eiseres afgeweken had moeten worden door de Dienst Toeslagen.
7.5.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend voor de verrekening van de kinderopvangtoeslag. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet.
7.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiseres recht op compensatie voor de maanden juli tot en met december 2015?
8. Eiseres betoogt dat zij voor het hele jaar 2015 recht heeft op compensatie op basis van vooringenomenheid of hardheid van het wettelijke systeem.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
12. Eiseres heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,25).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 500,-;
veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van de proceskosten aan eiseres van € 226,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2025.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtbank Rotterdam, 27 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1081, r.o. 5.5.
Rechtbank Rotterdam, 27 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1081, r.o. 5.3.2.
Artikel 2.1, derde lid, van de Wht.
Te raadplegen via «www.werkelijkeschade.nl/documenten/regelingen/2023/02/08/werkwijze-en-schadekader-cws».