Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-21
ECLI:NL:RBROT:2025:3451
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,232 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 21 februari 2025
op het verzoek van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] .
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Procesverloop
1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 7 februari 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker] ,
- mevrouw [persoon A] , schuldhulpverlener.
1.3.
[verzoeker] heeft ter zitting aanvullende stukken overgelegd.
1.4.
Namens [verzoeker] zijn op 11 februari 2025 aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.
Beoordeling
De toelating
2.1.
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de WSNP als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de WSNP zal voldoen.
2.2.
[verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de WSNP.
2.3.
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de WSNP moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting. Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert of de verplichtingen worden nagekomen. Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
2.4.
Als [verzoeker] zich tijdens het WSNP-traject houdt aan alle verplichtingen die de WSNP met zich brengt, eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de WSNP werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen.
2.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker] .
2.6.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
De ingangsdatum
2.7.
Het WSNP-traject duurt in principe 18 maanden. De Faillissementswet (Fw) bepaalt dat de termijn van de WSNP in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de termijn eerder te laten ingaan.
2.8.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Het vtlb wordt berekend met de vtlb-calculator die via het internet beschikbaar is. Om voor een eerdere ingangsdatum in aanmerking te komen, moet dus maandelijks sprake zijn van aflossingen die tenminste gelijk zijn aan het genoemde verschil tussen de netto inkomsten en het vtlb. Daarnaast moet er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt worden of moet er aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.9
De rechtbank kan de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast stellen op de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling. Dit volgt uit artikel 349a lid 1 Fw. Met een eerste aflossing in de zin van artikel 349a lid 1 Fw moet op één lijn gesteld de vaststelling dat de schuldenaar geen aflossingscapaciteit heeft. In het geval een schuldenaar geen afloscapaciteit heeft, en er om die reden een zogenaamd nulaanbod wordt gedaan, kan de datum van het nulaanbod worden gehanteerd als alternatief aanvangsmoment (zie Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913, r.o. 3.11.4).
2.10.
De rechtbank stelt in dat kader allereerst vast dat [verzoeker] gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject, op basis van zijn inkomen, geen afloscapaciteit heeft gehad. Dit volgt namelijk uit de overgelegde vtlb-berekeningen. Daarbij merkt de rechtbank op dat ter zitting is verklaard dat de partner van [verzoeker] geen inkomen heeft en dat zij voornemens is om een studie te doen. Verder is op 23 juli 2024 een nulaanbod gedaan aan de schuldeisers. Bij het bepalen van een alternatief aanvangsmoment zoekt de rechtbank daarom in beginsel aansluiting bij het nulaanbod van 23 juli 2024.
2.11.
Daarnaast moet er bij arbeidsgeschiktheid fulltime (36 uur) gewerkt worden. Indien niet fulltime wordt gewerkt en er is sprake van arbeidsgeschiktheid, dan moet er aantoonbaar minimaal vier keer per maand gesolliciteerd worden naar een fulltime baan. [verzoeker] heeft gedurende het schuldhulpverleningstraject, althans sinds het nulaanbod van 23 juli 2024, voor twee maanden aantoonbaar voldaan aan de inspanningsverplichting. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is namelijk gebleken dat hij tot en met september 2024 fulltime heeft gewerkt. Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat hij per oktober 2024 een WW-uitkering ontvangt en dat hij steeds maandelijks heeft gesolliciteerd. Er zijn evenwel geen sollicitatiebrieven overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat hij, in de periode vanaf 1 oktober 2024 tot en met heden, ten minste vier keer per maand heeft gesolliciteerd. Er is aan [verzoeker] geen ontheffing verleend waardoor die sollicitatieplicht voor hem niet zou gelden.
2.12.
De rechtbank komt dus tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. [verzoeker] heeft immers sinds het nulaanbod van 23 juli 2024 gedurende twee maanden aantoonbaar voldaan aan (i) de inspanningsverplichting en (ii) de verplichting om maximaal af te lossen volgens het vtlb.
2.13.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de ingangsdatum vast op 21 december 2024.
Dictum
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] -1990 te Rotterdam,
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. B.A. Cnossen
en tot bewindvoerder mr. P.A. Loeff,
gevestigd te Postbus 136,
2990 AC Barendrecht;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 21 december 2024 en de einddatum op 21 juni 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Deze vergoeding is gelijk aan 1/17e deel van de overeenkomstig artikel 2 van dat Besluit te berekenen vergoeding. Dit kan alleen:
- zolang de schuldsaneringsregeling loopt en,
- voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. B.A. Cnossen, rechter, in samenwerking met mr. T.M.M. de Laat, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.