Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-14
ECLI:NL:RBROT:2025:3189
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,424 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11389704 CV EXPL 24-27775
datum uitspraak: 14 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Hoist Finance AB,
vestigingsplaats: Stockholm (Zweden),
eiseres,
gemachtigde: Agin Timmermans,
tegen
1
[gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats],
gedaagden,
die zelf procederen.
Eisende partij wordt hierna ‘Hoist Finance’ genoemd. Gedaagde partijen worden hierna afzonderlijk ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’ genoemd en gezamenlijk ‘[gedaagden]’.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 25 oktober 2024, met bijlagen;
het antwoord;
de repliek, met bijlagen;
de dupliek.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagden] hebben op 21 oktober 2017 in naam van hun voormalige vof, [bedrijf 1], een financial leaseovereenkomst gesloten met [bedrijf 2] h.o.d.n. [bedrijf 3] voor een Mercedes-Benz Sprinter met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). [bedrijf 3] heeft haar vorderingsrechten overgedragen (gecedeerd) aan [bedrijf 4] Laatstgenoemde heeft daarna haar statutaire naam gewijzigd in [bedrijf 5] en haar vordering op [gedaagden] via cessie overgedragen aan Hoist Finance.
2.2.
Omdat [gedaagden] een betalingsachterstand hebben laten ontstaan is de overeenkomst ontbonden en is de auto teruggenomen en verkocht voor een prijs van € 13.444,31. Dit bedrag is in mindering gebracht op het openstaande saldo maar volledige betaling van het restantbedrag is tot op heden uitgebleven. Het restantbedrag bestaat uit € 11.612,86 aan hoofdsom, € 891,13 aan incassokosten en de contractuele rente die tot 17 oktober 2024 € 3.087,32 bedraagt. [gedaagde 1] heeft € 1.950,00 van het restantbedrag afgelost. Het resterende saldo is daarmee € 13.641,31 en Hoist Finance eist dat [gedaagden] dat bedrag aan haar betalen, vermeerderd met verdere rente en (proces)kosten.
2.3.
[gedaagden] zijn het niet eens met de vordering. Volgens hen is de vordering verjaard. Omdat zij verbleven in het buitenland en wegens de coronaperiode hebben zij poststukken, waaronder de mededelingen van cessies en stuitingsbrieven, niet of later ontvangen. Zij voeren verder aan dat hun vof, [bedrijf 1], per 1 januari 2020 is ontbonden en dat [naam], de derde vennoot, de schulden zou aflossen. Ook is [gedaagde 1] niet aansprakelijk voor het deel van de vordering dat ziet op de periode na zijn uittreding uit de vof. Tot slot stellen [gedaagden] dat de auto voor een te laag bedrag is verkocht.
2.4.
De verweren van [gedaagden] slagen niet. De kantonrechter zal de vordering van Hoist Finance toewijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Cessies
2.5.
Overdracht van een vordering gaat via een akte en een mededeling (artikel 3:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Dat de door Hoist Finance overgelegde aktes van cessie zijn opgemaakt is niet betwist en die staan dus vast. [gedaagden] betwisten echter dat zij van die cessies in kennis zijn gesteld. De vraag is daarom of de mededelingen daarvan hebben plaatsgevonden.
2.6.
Hoist Finance heeft gesteld dat [gedaagden] steeds van de cessies in kennis zijn gesteld. Ter onderbouwing daarvan verwijst zij naar de brief van 4 juni 2024. Zij stelt daarnaast dat ook de dagvaarding als mededeling van de cessies kan worden gezien.
2.7.
Afgezien van de vraag of [gedaagden] de brief van 4 juni 2024 hebben ontvangen, kan in ieder geval in de dagvaarding een mededeling van de cessies worden gelezen. Daarmee is aan alle vereisten voor een rechtsgeldige levering voldaan (akte en mededeling). Dat de mededeling gelijktijdig met de dagvaarding plaatsvindt, betekent niet dat de mededeling daardoor “te laat” is. Voor het tijdstip van de mededeling gelden geen regels. Door en met de betekening van de dagvaarding worden [gedaagden] immers geacht de mededeling te hebben ontvangen.
Aansprakelijkheid na ontbinding en uittreding vof
2.8.
Volgens [gedaagde 1] kan hij niet aansprakelijk worden gehouden voor het deel van de vordering dat ziet op de periode na zijn uittreding uit de vof. De kantonrechter oordeelt daar echter anders over. De uittredende vennoot blijft na zijn uittreden aansprakelijk voor schulden van de vof die zijn ontstaan vóór het uittreden, en voor schulden die rechtstreeks voortvloeien uit een overeenkomst die daarvoor was aangegaan.
2.9.
In dit geval is de leaseovereenkomst gesloten voor het uittreden van [gedaagde 1]. Uit productie 3 van de dagvaarding blijkt dat [gedaagden] reeds per 1 december 2018 in verzuim waren. [gedaagde 1] kan daarom aansprakelijk worden gehouden voor de gehele vordering.
2.10.
[gedaagden] hebben verder aangevoerd dat [naam] de schulden van de vof zou aflossen nadat deze was ontbonden. Niet betwist is dat de onderhavige vordering ziet op een verbintenis aangegaan door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in naam van hun vof. Zij zijn daarmee op grond van artikel 18 van het Wetboek van Koophandel beiden als vennoot hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vof. Deze aansprakelijkheid geldt ook nadat de vof is beëindigd.
2.11.
Het voorgaande betekent dat Hoist Finance ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] persoonlijk kan aanspreken ten aanzien van de onderhavige vordering. Dat volgens hen [naam] de schulden van de vof zou aflossen maakt dat niet anders. Hoe zij de verplichtingen binnen de onderneming hebben geregeld is iets wat tussen hen onderling speelt en daar heeft Hoist Finance niets mee te maken.
Verjaring
2.12.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] beroepen zich op verjaring. Zij voeren bij antwoord aan dat de verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen op 18 juli 2019. Ook Hoist Finance gaat daarvan uit. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat [bedrijf 4] bij brief van 8 juli 2019 de overeenkomst heeft ontbonden en [gedaagden] heeft aangeschreven om het nog openstaande bedrag uiterlijk 18 juli 2019 te betalen.
2.13.
Hoist Finance heeft onweersproken gesteld en onderbouwd dat haar gemachtigde met [gedaagde 1] op 27 juni 2022 een betalingsregeling heeft getroffen en dat hij op basis daarvan meerdere betalingen heeft gedaan. Door een deel van de schuld te betalen heeft [gedaagde 1] deze erkend en dit is aan te merken als een stuitingshandeling. Daarmee is de verjaring in ieder geval vanaf dat moment gestuit. Dit is binnen de termijn van vijf jaar. Hoist Finance heeft gesteld dat zij [gedaagde 2] op 2 maart 2020 en 7 oktober 2021 een sommatiebrief heeft gestuurd. Vast staat dat [gedaagde 2] (in ieder geval) een brief van 20 juni 2024 van de gemachtigde van Hoist Finance heeft ontvangen. Ook dit is binnen de termijn van vijf jaar. De vordering is dus zowel ten aanzien van [gedaagde 1] als [gedaagde 2] niet verjaard.
Verkoopopbrengst auto
2.14.
Volgens [gedaagden] is de auto voor een te laag bedrag verkocht. De kantonrechter volgt hen hierin niet. Hoist Finance heeft toegelicht en onderbouwd dat zij de auto voor een zo goed mogelijke prijs heeft verkocht, mede gelet op de gebreken en de schade van de auto. Uit het overgelegde taxatierapport volgt dat de auto voor een hoger bedrag is verkocht dan de taxatiewaarde. [gedaagden] hebben hun standpunt vervolgens niet verder onderbouwd, terwijl dit wel op hun weg had gelegen. Nu zij hebben nagelaten hun stelling nader te onderbouwen, komt niet vast te staan dat de auto voor een te laag bedrag is verkocht.
Hoofdsom
2.15.
Aangezien de verweren van [gedaagden] niet slagen, zal de kantonrechter de hoofdsom van € 11.612,86 toewijzen. [gedaagde 1] heeft in totaal € 1.950,00 betaald. Dit bedrag wordt van de totale vordering afgetrokken.
Incassokosten
2.16.
De incassokosten van € 891,13 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
Rente
2.17.
De contractuele rente van 1,5% per maand wordt toegewezen, omdat Hoist Finance genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagden] dat niet hebben betwist.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Hoist Finance te betalen € 13.641,31 met de overeengekomen rente (1,5% per maand) over een bedrag van € 11.121,91 vanaf 17 oktober 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Hoist Finance worden begroot op € 2.469,54;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
53954