Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-14
ECLI:NL:RBROT:2025:2940
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,817 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/691947 / JE RK 25-1
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 2 januari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] ;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon C] ;
De advocaat van de moeder, mr. A.C. van ’t Hek, was eveneens aanwezig, maar heeft na overleg met en instemming van de moeder de zittingszaal verlaten bij aanvang van de behandeling van het verzoek om te voorkomen dat de zitting geen doorgang kon hebben gelet op het ter zitting gedane aanhoudingsverzoek van de vader om zich ook te laten bijstaan door een advocaat. De vader heeft zijn aanhoudingsverzoek na het vertrek van de advocaat ingetrokken. Hij wenste bij die omstandigheden niet meer door een advocaat te worden bijgestaan.
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen afwisselend bij de moeder en de vader.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Zowel de moeder als de vader maken zich zorgen over de kinderen en erkennen dat actie ondernomen moet worden. De kinderen worden al langere tijd belast door de strijd tussen de ouders. Ouders doen negatieve uitlatingen en verwijten over en weer. Dit heeft invloed op de kinderen, wat zich uit in bijvoorbeeld woede-uitbarstingen bij de kinderen. [voornaam minderjarige 2] is ook bezorgd over de situatie bij de ouders. De kinderen bevinden zich bovendien in een loyaliteitsconflict, wat de situatie verder bemoeilijkt. Daarnaast groeien de kinderen op met verschillende opvoedingsstijlen bij de ouders. Er is weinig samenwerking tussen de ouders en het lukt hen niet om het patroon van strijd te doorbreken. De moeder probeert de kinderen zoveel mogelijk buiten de conflicten te houden, maar de vader vindt dat de kinderen alles moeten weten. Dit zorgt voor verwarring bij de kinderen. De Raad is van mening dat kinderen niet belast moeten worden met de problemen van volwassenen.
Een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is volgens de Raad nodig om aan de volgende doelen te kunnen werken:
• [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] groeien op in een emotioneel veilige, voorspelbare en gestructureerde opvoedingsomgeving bij beide ouders;
• [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] hebben niet het gevoel te moeten kiezen tussen ouders;
• er is duidelijkheid en rust over de woonsituatie bij vader en deze voldoet in de basis aan wat [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] nodig hebben;
• ouders zijn emotioneel beschikbaar voor [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] ;
• ouders sluiten aan bij wat de kinderen van hen nodig hebben;
• [voornaam minderjarige 1] herkent en reguleert op een passende manier zijn emoties;
• [voornaam minderjarige 2] kan praten over wat haar bezighoudt en maakt zich geen zorgen
over vader.
4Het standpunt van de GI
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad en ziet de door de Raad aangegeven zorgen. De kinderen zitten in de knel en het is duidelijk dat er hulp nodig is. Er is geprobeerd hulpverlening in te zetten via Parallel Solo Ouderschap, maar dit heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd. De GI wil de hulpverlening die de Raad benoemt, zoals "Kinderen uit de Knel", Psychomotorische Therapie (PMT) voor [voornaam minderjarige 1] , extra ondersteuning op school voor [voornaam minderjarige 2] , en individuele hulp voor de ouders via Basic Trust gaan inzetten.
5Het standpunt van de moeder
De moeder voert geen verweer tegen het verzoek. De moeder hoopt dat er rust komt voor de kinderen en dat zij het gevoel krijgen niet te hoeven kiezen. Kinderen zouden zich niet bezig moeten houden met de conflicten tussen ouders. [voornaam minderjarige 1] neemt alles wat wordt gezegd door vader voor waar aan. Er zijn weekenden waarin [voornaam minderjarige 1] zich niet goed voelt en het gevoel heeft dat alles de schuld van de moeder is, wat leidt tot afstand tussen hen. Het is duidelijk dat hulp nodig is, maar de moeder is sceptisch over wat zij hiervan kan verwachten.
6Het standpunt van de vader
De vader voert geen verweer tegen het verzoek. De vader maakt zich zorgen om de kinderen. In tegenstelling tot wat de Raad stelt, is de vader bereid om overal aan mee te werken. Het is onjuist dat er bij hem thuis geen regels zouden zijn; de kinderen moeten op tijd naar bed gaan, op tijd naar school en mogen geen eten mee naar boven nemen. Er is overleg met de school over [voornaam minderjarige 1] , omdat hij lager begaafd is en mogelijk last heeft van een Stockholmsyndroom door de situatie.
Beoordeling
7.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen worden belast door de complexe echtscheidingsproblematiek tussen de ouders, wat zich bij hen uit in spanningen en woede-uitbarstingen. De kinderen zitten klem tussen de ouders en bevinden zich in een loyaliteitsconflict. De ouders zijn onvoldoende in staat om op een constructieve manier met elkaar te communiceren en afspraken te maken die in het belang zijn van de verzorging en de opvoeding van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Hulpverlening binnen het vrijwillige kader heeft niet geleid tot een verbetering van de situatie.
7.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De regie van een jeugdbeschermer is nodig en wenselijk, aangezien de moeder en de vader er samen niet uitkomen en de kinderen hieronder lijden. Daarom stelt de kinderrechter [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. Een jaar is nodig om te kunnen werken aan de hiervoor onder 3.2. genoemde doelen. Het is noodzakelijk dat aan die doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen weg te kunnen nemen. Van belang daarbij is dat de ouders hun negatieve emoties niet ten koste van de kinderen uiten en de kinderen niet belasten met problemen van volwassenen. De kinderen moeten met beide ouders goed contact kunnen hebben en ook het gevoel krijgen dat dit geaccepteerd wordt door de andere ouder.
7.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
8.1.
stelt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 14 januari 2025 tot 14 januari 2026;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025 door mr. H. Benaissa, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 23 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.