Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-24
ECLI:NL:RBROT:2025:2485
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,836 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/48
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. A. Dinç),
en
de minister van Financiën
(gemachtigde: mr. A. Kandhai).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de overname van een private schuld van eiseres. De minister heeft geweigerd een schuld van eiseres over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht geoordeeld dat er geen sprake is van een geldschuld in de zin van artikel 4.1 van de Wht. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 26 juli 2023 heeft de minister de aanvraag van eiseres om geldschulden over te nemen afgewezen. Met het besluit van 21 november 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 26 juli 2023 ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Bij brief van 17 december 2024 heeft de rechtbank vragen aan partijen gesteld die de rechtbank ter zitting met partijen wenst te bespreken.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 9 januari 2024 behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend tot overname van één schuld. De minister heeft de schuld niet overgenomen. De schuld van eiseres aan de gemeentelijke kredietbank (de kredietbank) heeft de minister afgewezen omdat het een financieel product is en hiervan alleen betalingsachterstanden worden betaald zoals rente. De ingediende schuld betreft een pandbelening. Eiseres heeft sieraden verpand en daarvoor een geldbedrag ontvangen. Eiseres was niet verplicht het verkregen bedrag terug te betalen. Er is daarom geen betalingsachterstand ontstaan. De schuld voldoet daarom niet aan de eisen van artikel 4.1 van de Wht.
Heeft de minister terecht de schuld van eiseres aan de kredietbank niet afbetaald?
4. Eiseres stelt dat de aanvraag tot overname van haar schuld aan de kredietbank ten onrechte niet is overgenomen. Eiseres stelt dat zij vanwege de problemen als gevolg van de toeslagenaffaire gedwongen was sieraden, die niet van haar waren, te verpanden. Eiseres geeft aan dat zij de sieraden na ontvangst van de compensatie heeft teruggekocht en daarbij tevens rente heeft betaald. Eiseres betwist het standpunt van de minister dat er geen sprake was van een betalingsverplichting of achterstand.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat een pandbelening geen verplichting inhoudt om het verkregen bedrag terug te betalen, maar slechts een mogelijkheid biedt om de verpande artikelen terug te kopen tegen betaling van het geleende bedrag en rente. De minister wijst erop dat bij een pandbelening alleen achterstallige betalingen op de rente als opeisbare schulden kunnen worden aangemerkt, mits er sprake is van een betalingsachterstand die hier niet aan de orde is Volgens de minister valt de schuld daarom niet onder de Wht, aangezien deze niet voldoet aan de vereisten van artikel 4.1 Wht.
4.2.
De minister neemt op aanvraag een geldschuld over van een aanvrager die in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel. De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Een al betaalde schuld kan mogelijk alsnog in aanmerking komen voor vergoeding als de ouder of toeslagpartner eerst een herstelbedrag heeft ontvangen en daarna een geldschuld (gedeeltelijk) heeft betaald, welke anders door de minister zou zijn betaald op grond van artikel 4.1., eerste lid, van de Wht.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de kern van het geschil is of de lening bij de kredietbank kan worden aangemerkt als een geldschuld in de zin van artikel 4.1 Wht.
4.4.
Uit de stukken blijkt dat eiseres een pandbelening is aangegaan waarbij sieraden als onderpand zijn verstrekt. De lening bij de kredietbank kende geen terugbetalingsverplichting. Het stond eiseres vrij de sieraden terug te kopen door betaling van het geleende bedrag en rente, maar deze betaling was geen verplichting. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat er daardoor geen sprake is van een geldschuld in de zin van artikel 4.1 Wht.
4.5.
De rechtbank overweegt verder dat alleen betalingsachterstanden op rentetermijnen onder de Wht voor overname in aanmerking komen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiseres geen achterstand had op rentebetalingen. Het vereiste van een opeisbare schuld met betalingsachterstand ontbreekt daarmee eveneens.
4.6.
Voor zover eiseres ter zitting heeft bedoeld te betogen dat de minister de onderliggende schulden, waarvoor eiseres de pandbelening is aangegaan, had moeten overnemen, overweegt de rechtbank dat deze onderliggende schulden niet ter overname bij de minister zijn ingediend. De rechtbank kan daar in deze procedure dus niet over beslissen.
4.7.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister terecht heeft geweigerd de schuld van eiseres bij kredietbank over te nemen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wht.
Artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.