Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-03
ECLI:NL:RBROT:2025:2328
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,677 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Lurisnummer: UTL-I-2024025769
Parketnummer: 10/218970-24
Datum uitspraak: 3 februari 2025
Uitspraak van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op het verzoek van de Servische autoriteiten tot uitlevering van:
[naam opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
verblijvende aan [adres] ,
verder te noemen: de opgeëiste persoon,
raadsman mr. M. Sculic, advocaat te Rotterdam.
1Procedure
De Servische autoriteiten hebben bij brief van 9 augustus 2024 aan het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid een verzoek tot uitlevering gedaan tot tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf en daartoe stukken overgelegd.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft bij brief van 27 augustus 2024, binnengekomen op 3 september 2024, het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de officier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 17 oktober 2024, ter griffie ontvangen op 21 oktober 2024, gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenneming van de opgeëiste persoon verzocht.
Op 20 januari 2025 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:
- de officier van justitie, mr. H.A. van Wijk;
- de opgeëiste persoon alsmede zijn raadsman, mr. M. Sculic.
De officier van justitie heeft primair geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd. De officier van justitie heeft subsidiair verzocht de behandeling van de vordering aan te houden, zodat er aanvullende stukken kunnen worden opgevraagd.
De rechtbank heeft op de zitting, naar aanleiding van het daartoe gedane verzoek van de officier van justitie en gehoord de raadsman, de gevangenneming van de opgeëiste persoon en de schorsing daarvan bevolen. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.
2Verzoek
De uitlevering wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een uitspraak (vonnis) van het Gerechtshof in Zrenjanin van 25 februari 2022, nummer 5 K 36/21, die door het Hof van Beroep in Novi Sad bij arrest van 21 juni 2022, nummer Kž 1 400/22, is bekrachtigd. Deze uitspraak is onherroepelijk, rechtsgeldig en voor tenuitvoerlegging vatbaar.
De opgeëiste persoon is bij voornoemde uitspraak veroordeeld voor illegale productie en handel van verdovende middelen, dat strafbaar is gesteld bij artikel 246, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van de Republiek Servië. Aan hem is een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd.
Van een gedeelte van deze uitspraak is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.
3Toepasselijk verdrag
Van toepassing is het Europees verdrag betreffende uitlevering (trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV.
4Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Kroatische en Servische nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.
5Genoegzaamheid van de stukken
De rechtbank is van oordeel dat de bij het uitleveringsverzoek gevoegde stukken genoegzaam zijn. Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht. De stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, van het EUV en artikel 18 van de Uitleveringswet.
6Dubbele strafbaarheid
Op grond van artikel 5 lid 1, aanhef en onder a van de Uitleveringswet, kan uitlevering alleen worden toegestaan indien er sprake is van een feit waarvoor zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar het recht van Nederland, een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd. Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, is volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Servisch recht strafbaar. Ter zake van dat feit kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd van drie tot twaalf jaar. Bij de voormelde uitspraak van het Gerechtshof in Zrenjanin van 25 februari 2022 is ter zake van dat feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar. Dit betekent dat ook is voldaan aan de voorwaarde van artikel 5 lid 1, aanhef en onder b van de Uitleveringswet.
Ook naar Nederlands recht is het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als:
- opzettelijk handelen in strijd met (een) in artikel 3 onder B en/of C van de Opiumwet gegeven verbod(en), strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet.
Voor dit feit kan naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.
7Onschuld van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft niet onverwijld aangetoond onschuldig te zijn aan het feit waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.
Conclusie
Nu ten aanzien van het feit ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en toepasselijk verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.
9Toepasselijke artikelen
Dictum
De rechtbank:
verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Servië van [naam opgeëiste persoon], [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] , tot tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde rechterlijke uitspraak van het Gerechtshof in Zrenjanin van 25 februari 2022.
Deze beslissing is genomen door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
mrs. F. Damsteegt en N. Shahani, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.S. Roman, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 februari 2025.