Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-20
ECLI:NL:RBROT:2025:2205
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
1,222 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11475393 VV EXPL 25-3
datum uitspraak: 20 februari 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Nationale Maatschappij tot Restaureren & Herbestemmen van Cultureel
Erfgoed B.V., die handelt onder de naam ‘BOEi’,
vestigingsplaats: Amersfoort,
eiseres,
gemachtigde: Jongerius Gerechtsdeurwaarders/Juristen/Incasso B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘BOEi’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 17 januari 2025, met bijlagen;
de brief van BOEi van 23 januari 2025, met een bijlage.
1.2.
Op 14 februari 2025 heeft de kantonrechter de zaak tijdens een zitting met [naam 1] (werkzaam bij BOEi) en [naam 2] (namens de gemachtigde) besproken. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.
Beoordeling
Waar gaat het om?
2.1.
[gedaagde] huurt een bedrijfsruimte van BOEi. Volgens BOEi heeft hij een betaalachterstand laten ontstaan, waaronder de huur van vijf maanden. BOEi eist dat de kantonrechter [gedaagde] daarom veroordeelt om de bedrijfsruimte te ontruimen en € 35.540,18 aan haar te betalen.
BOEi heeft een spoedeisend belang bij haar eis
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van BOEi volgt dat deze spoed aanwezig is.
[gedaagde] moet de bedrijfsruimte ontruimen
2.3.
BOEi moet de bedrijfsruimte ontruimen. Deze eis lijkt namelijk niet onrechtmatig of ongegrond (artikel 139 Rv). Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden, gelet op de hoogte van de achterstand. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding, door [gedaagde] te veroordelen om de bedrijfsruimte te ontruimen.
2.4.
BOEi vraagt de kantonrechter om een ontruimingstermijn van drie dagen te hanteren. Dat vindt de kantonrechter een onredelijk korte termijn voor het ontruimen van een bedrijfsruimte. Zij stelt deze termijn daarom in redelijkheid vast op veertien dagen.
[gedaagde] moet € 35.540,18 betalen
2.5.
[gedaagde] wordt veroordeeld om het geëiste bedrag van € 35.540,18 aan BOEi te betalen, omdat ook deze eis niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan BOEi moet betalen op € 122,25 aan dagvaardingskosten, € 1.461,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.261,25. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard , omdat BOEi dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de bedrijfsruimte op het adres [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en de ruimte met alle sleutels ter beschikking van BOEi te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan BOEi € 35.540,18 te betalen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van BOEi worden begroot op € 2.261,25;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
33394