Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-07
ECLI:NL:RBROT:2025:1980
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,413 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11395841 CV EXPL 24-28152
datum uitspraak: 7 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
ANWB B.V.,
vestigingsplaats: Den Haag,
eiseres,
gemachtigde: [persoon A] en mr. E. Krom,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ANWB’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 18 oktober 2024, met bijlagen;
het antwoord;
de repliek, met bijlagen;
de dupliek, met bijlagen.
Beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[gedaagde] is bij ANWB een lidmaatschap aangegaan met Wegenwacht Service. Volgens ANWB heeft [gedaagde] de lidmaatschapskosten over de periode van 21 december 2019 tot en met 20 december 2020 niet volledig voldaan. Daarom eist ANWB in deze procedure dat [gedaagde] veroordeeld wordt de achterstallige lidmaatschapskosten van
€ 135,-, met rente en buitengerechtelijke incassokosten, aan ANWB te voldoen.
2.2.
[gedaagde] erkent dat hij het bedrag van € 135,- nog moet betalen, maar hij is het niet eens met de rente en bijkomende kosten. Volgens [gedaagde] is het niet redelijk dat hij de rente en kosten moet betalen, omdat hij geen herinnering of aanmaning heeft ontvangen, in die zin dat hij in de periode van 2020 tot 2023 geen duidelijke communicatie heeft ontvangen over een eventuele openstaande schuld. Ook vraagt [gedaagde] zich af of de vordering niet verjaard is.
2.3.
De kantonrechter wijst de eis van ANWB toe, met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
ANWB heeft voldaan aan haar wettelijke informatieverplichtingen
2.4.
De overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een verzekeringsovereenkomst en valt onder het bereik van de Wet op het financieel toezicht. Op de verzekeringsovereenkomst zijn verschillende wettelijke informatieverplichtingen van toepassing. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat deze consumentenbeschermende voorschriften worden nageleefd, dus ook als daar geen verweer tegen is gevoerd.
2.5.
ANWB stelt kort samengevat dat zij heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen. Ter onderbouwing hiervan heeft zij verwezen naar de overgelegde printscreens en de bevestigingsbrief. Bovendien heeft zij de gang van zaken tijdens het inschrijfproces geschetst en heeft zij verwezen naar de algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat met wat ANWB daarover heeft gesteld en onderbouwd, voldoende is gebleken dat zij heeft voldaan aan haar wettelijke informatieverplichtingen.
[gedaagde] moet de hoofdsom van € 135,- betalen
2.6.
[gedaagde] moet het bedrag van € 135,- aan lidmaatschapskosten over de periode van 21 december 2019 tot en met 20 december 2020 aan ANWB betalen. Ondanks dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij ‘sinds 2020’ de lidmaatschapskosten zonder onderbreking heeft voldaan, heeft hij namelijk erkend dat de eis van ANWB tot betaling van de hoofdsom klopt.
2.7.
[gedaagde] heeft weliswaar enkele betalingsbewijzen in het geding gebracht, maar die hebben geen relevantie voor onderhavige vordering. De betaling van 25 september 2024 van € 222,71 ziet immers - zo stelt [gedaagde] zelf - op de lidmaatschapskosten over 2024. [gedaagde] heeft niet toegelicht waar de overige betalingen van 6 juli 2022 en 8 juli 2023, waarvan hij bewijzen heeft overgelegd, betrekking op hebben en waarom hij deze in het geding heeft gebracht. Bovendien valt uit de betalingsbewijzen af te leiden dat het daarbij gaat om transacties via een betaalautomaat, kennelijk verricht in een winkel van ANWB.
2.8.
Van verjaring van de vordering van ANWB is geen sprake. Op grond van artikel 3:308 BW geldt in dit geval een verjaringstermijn van vijf jaar. Omdat de factuur ten aanzien van de lidmaatschapskosten over de periode van 21 december 2019 tot en met 20 december 2020 een vervaldatum kent van 22 december 2019 was die termijn van vijf jaar - los van de vraag of [gedaagde] voorafgaand aan de dagvaarding nu wel of geen aanmaningen heeft ontvangen - nog niet verstreken ten tijde van het betekenen van de dagvaarding op 18 oktober 2024,
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.9.
De kantonrechter moet ambtshalve toetsen of er in de overeenkomst en/of algemene voorwaarden sprake is van eventuele oneerlijk bedingen is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). De kantonrechter is van oordeel dat artikel 26 van paragraaf 3 van de algemene voorwaarden ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten oneerlijk is. De bepaling wijkt namelijk in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW) of wekt die indruk. Een bepaling die de handelaar recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de volgende voorwaarden. De bepaling mag de handelaar geen recht geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Wel is toegestaan dat in de bepaling geen bedragen worden genoemd of als voor de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de wet. De bepaling moet ook niet de indruk wekken dat de handelaar eerder dan op grond van de wet recht krijgt op een vergoeding. Als er iets staat over het moment waarop de kosten verschuldigd worden, dan moet uit de bepaling dus blijken dat de consument die vergoeding pas verschuldigd wordt nadat hij nog een kans heeft gekregen om binnen veertien dagen alsnog te betalen. Aan deze voorwaarden is hier niet voldaan. De bepaling is daarom oneerlijk zodat de vergoeding voor incassokosten wordt afgewezen.
Er zijn verder geen oneerlijke bepalingen
2.10.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet rente betalen
2.11.
Vast staat dat [gedaagde] de lidmaatschapskosten over de periode van 21 december 2019 tot en met 20 december 2020 niet uiterlijk op de in de factuur genoemde vervaldatum (22 december 2019) heeft betaald. [gedaagde] is daarmee in verzuim geraakt en moet om die reden rente betalen.
2.12.
Uit de stellingen van ANWB blijkt dat [gedaagde] van het oorspronkelijke bedrag aan lidmaatschapskosten van € 155,- al € 20,- heeft betaald. Zij stelt echter niet wanneer dat bedrag is ontvangen, hetgeen wel van belang is voor de vaststelling van de ingangsdatum van de rente over de restanthoofdsom van € 135,-. De aanmaning van 26 juli 2024, waarvan [gedaagde] de ontvangst niet heeft betwist, is pas de eerste brief waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] het bedrag van € 20,- heeft betaald. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat deze aanmaning over ‘iets anders’ ging. ANWB heeft dat immers betwist en [gedaagde] heeft op geen enkele wijze nader toegelicht of onderbouwd waarop deze aanmaning dan wel betrekking zou hebben. Voor de ingangsdatum van de rente wordt daarom aansluiting gezocht bij de aanmaning van 26 juli 2024, waarmee [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld binnen een termijn van veertien dagen nadat de aanmaning bij [gedaagde] is bezorgd de hoofdsom - zonder kosten - aan ANWB te betalen. Daarbij neemt de kantonrechter als uitgangspunt dat een brief over het algemeen op de tweede dag na verzending is bezorgd. Dat betekent dat de rente over de restanthoofdsom van € 135,- wordt toegewezen vanaf 12 augustus 2024.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.13.
Vast staat dat [gedaagde] de aanmaning van 26 juli 2024 heeft ontvangen. Daaruit volgt dat [gedaagde] in elk geval de gelegenheid heeft gekregen de achterstallige lidmaatschapskosten alsnog te betalen en daarmee een procedure te voorkomen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan ANWB te betalen € 135,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 12 augustus 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van ANWB worden begroot op € 343,54;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
44487