Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-15
ECLI:NL:RBROT:2025:1962
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,503 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10-095166-23
Datum uitspraak: 15 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. E.M. ter Braak heeft vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd.
Motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Vast staat dat de verdachte op 7 april 2023 met zijn voertuig tegen de gevel van fietsenwinkel [naam winkel] te Maassluis is aangereden. De aangever heeft verklaard dat de verdachte op hem in kwam rijden, waarna hij is weggesprongen en de verdachte tegen de gevel van de fietsenwinkel is gereden. Bij het wegspringen heeft de aangever met zijn been de ruit van de fietsenwinkel geraakt en letsel opgelopen. De verdachte heeft verklaard dat de aangever met een steen in zijn hand zwaaiende bewegingen maakte. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij bang was dat de aangever de steen door de ruit van zijn auto zou gooien en dat hij daarom in blinde paniek de stoep is opgereden om de aangever te ontwijken. De verdachte is hierbij tegen de gevel van de fietsenwinkel gereden.
Voor een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde is vereist dat vastgesteld kan worden dat de verdachte tenminste voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. De rechtbank is van oordeel dat het dossier hiervoor onvoldoende aanknopingspunten biedt. Niet vastgesteld kan worden met welke snelheid de verdachte heeft gereden en wat de precieze positie van de aangever ten opzichte van het voertuig van de verdachte is geweest. Het onder 1 ten laste gelegde is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
Voor een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde is eveneens vereist dat vastgesteld kan worden dat de verdachte tenminste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de vernieling van de gevel van de fietsenwinkel. Ook daarvoor biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de verkeersongevallenanalyse volgt dat de verdachte flink heeft geremd voordat hij tegen de gevel is aangereden. Dit vormt een contra-indicatie voor het aannemen van opzet. Het onder 2 ten laste gelegde is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt ook daarvan vrijgesproken.
5Vordering benadeelde partij
Ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van immateriële schade. Uit de vordering van de benadeelde partij volgt niet wat de hoogte van deze schade is.
Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft [naam winkel] . zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.078,70 aan materiële schade.
De benadeelde partijen worden in de vorderingen niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken. De benadeelde partijen en de verdachte dragen ieder de eigen kosten.
6Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [naam winkel] . niet-ontvankelijk in de vorderingen;
bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van de Klashorst, voorzitter,
en mr. W.M. Stolk en mr. B. Vaz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Voorwinden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij
op 7 april 2023 te Maassluis
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1]
opzettelijk
van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
als bestuurder van een auto (merk: Volkswagen, type: Caddy) (met verhoogde snelheid) op die [slachtoffer 1] is ingereden/afgereden
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij
op 7 april 2023 te Maassluis
opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, gelegen op/aan of nabij Heldringstraat 101, althans een gevel en/of kozijn en/of ruit van fietsenwinkel [naam winkel] , in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.