Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-20
ECLI:NL:RBROT:2025:15735
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,022 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:15735 text/xml public 2026-03-30T15:56:53 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-11-20 11700322 CV EXPL 25-2041 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15735 text/html public 2026-03-30T15:56:28 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:15735 Rechtbank Rotterdam , 20-11-2025 / 11700322 CV EXPL 25-2041 Geldlening RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 11700322 CV EXPL 25-2041 datum uitspraak: 20 november 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] eiser, gemachtigde: mr. H.J.C. de Waard tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde. De partijen worden hierna ‘ [eiser] en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1 Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 22 mei 2025, met bijlagen; de conclusie van antwoord, met bijlage; een aanvullende bijlage, door gedaagde overhandigd ter zitting. 1.2 Op 10 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser] , bijgestaan door zijn gemachtigde en [gedaagde] . 2 De feiten 2.1 [eiser] en [gedaagde] zijn op 10 november 2022, 22 februari 2023 en 14 maart 2023 schriftelijk overeengekomen dat [eiser] geld zou lenen aan [gedaagde] en [gedaagde] het geleende bedrag (van in totaal € 19.200,00) zou terugbetalen, verhoogd met een bedrag aan rente van € 6.680,00. 2.2 [gedaagde] heeft het geleende bedrag gebruikt om betalingen te verrichten aan een man in Manilla die heeft geschreven dat [gedaagde] een erfenis van € 800.000,- kan verwachten als [gedaagde] geld overmaakt voor het deblokkeren van een buitenlandse bankrekening. 2.3 [eiser] heeft [gedaagde] op 20 maart 2025 een brief gestuurd waarin hij heeft aangegeven tot een betalingsregeling te willen komen. In de brief is opgenomen: “ Indien u niet bereid bent akkoord te gaan met deze regeling, dan komt het aanbod te vervallen en eist cliënt het verschuldigde ineens op. U dient alsdan binnen 6 weken het volledige bedrag te voldoen .” 2.4 [gedaagde] heeft bij e-mailbericht van 25 maart 2025 gereageerd dat hij niet akkoord ging met de voorgestelde betalingsregeling en dat hij [eiser] zou terug betalen zodra hij de beschikking zou hebben over de toegezegde € 800.000,-. 3 Het geschil 3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan [eiser] van: een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling; de proceskosten inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling. 3.2 [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op grond van de tussen partijen overeengekomen geldleningsovereenkomst terugbetaling van een bedrag van € 19.200,00 plus betaling van overeengekomen rente van € 6.680,00 verschuldigd is. Om proceseconomische redenen heeft [eiser] zijn vordering gematigd tot € 25.000,00. Ondanks dat [eiser] [gedaagde] bij brief van 20 maart 2025 om betaling heeft verzocht is betaling uitgebleven. 3.3 [gedaagde] geeft aan dat hij [eiser] wel wil terugbetalen, maar daar momenteel de financiële middelen niet voor heeft. [eiser] vraagt om uitstel van betaling totdat hij het geld uit het buitenland heeft ontvangen. [gedaagde] vindt dat hij de gevorderde wettelijke rente niet hoeft te betalen, omdat hij meent met het bedrag van € 6.680,00 al genoeg rente te betalen. 4 De beoordeling De geldleningsovereenkomst en de overeengekomen rente zijn rechtsgeldig 4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat zij een geldleningsovereenkomst hebben gesloten, waarbij [eiser] en [gedaagde] schriftelijk zijn overeengekomen dat [eiser] geld zou lenen aan [gedaagde] en [gedaagde] het geleende bedrag (van in totaal € 19.200,00) zou terugbetalen, verhoogd met een bedrag aan rente van € 6.680,00. 4.2 In artikel 7:129c BW is bepaald dat een particulier die geld uitleent aan een andere particulier geen recht op rente heeft, tenzij schriftelijk anders is bedongen. Zowel [eiser] als [gedaagde] is de leningsovereenkomst aangegaan als particulier. Zij zijn schriftelijk overeengekomen dat [gedaagde] aan [eiser] vanwege de lening een bedrag van in totaal € 6.680,00 aan rente zal betalen omdat dit is vastgelegd in e-mailberichten. 4.3 Partijen zijn in beginsel vrij overeen te komen welke vergoeding over het geleende bedrag passend is. Deze vrijheid is echter begrensd in die zin dat de contractuele vergoeding niet in strijd mag zijn met de openbare orde en/of de goede zeden . De tussen [eiser] en [gedaagde] overeengekomen eenmalige vergoeding van € 6.680,00, die in dit geval gelijk te stellen is met een contractuele rente, is weliswaar aan te merken als hoog, maar niet als zodanig hoog dat sprake is van strijd met de openbare orde en/of goede zeden. Daarnaast is van belang dat de overeengekomen eenmalige vergoeding is voorgesteld door [gedaagde] zelf. De door [eiser] en [gedaagde] afgesproken contractuele rente is dan ook rechtsgeldig. De geldlening en de overeengekomen rente zijn opeisbaar 4.4 Een geldlener is verplicht het door hem verschuldigde terug te geven binnen zes weken nadat de geldgever heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, tenzij een ander tijdstip voor de terugbetaling uit de overeenkomst voortvloeit . 4.5 [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 20 maart 2025 schriftelijk aangemaand tot betaling en daarbij een betalingstermijn van zes weken gesteld. Nu betaling binnen die termijn is uitgebleven, zijn zowel de lening als de overeengekomen rente opeisbaar geworden. 4.6 [gedaagde] heeft ter zitting verzocht om uitstel van betaling, omdat hij momenteel zeer grote financiële problemen heeft en helemaal niets kan aflossen. Wanneer hij nog een bedrag kan overmaken om de geblokkeerde bankrekening vrij te krijgen, zal de beloofde geldsom overgemaakt worden en kan hij [eiser] afbetalen, aldus [gedaagde] . De kantonrechter heeft ter zitting al opgemerkt dat deze constructie kenmerkend is voor een algemeen bekende oplichtingspraktijk, maar [gedaagde] wil hier niet van horen. Er zijn geen aanwijzingen dat [gedaagde] het bedoelde geld daadwerkelijk zal ontvangen, terwijl er aanwijzingen te over zijn dat hij juist wordt opgelicht. Het is schrijnend dat [gedaagde] zich zo diep in de schulden heeft gestoken en zelfs van plan is om nog meer geld over te maken naar iemand die hem naar alle waarschijnlijkheid oplicht. 4.7 De kantonrechter kan [gedaagde] geen uitstel van betaling geven, zelfs als het waar was dat hij de ‘erfenis’ gaat ontvangen. [eiser] heeft op basis van de wet recht op terugbetaling. Persoonlijke omstandigheden of toekomstige verwachtingen van [gedaagde] doen niet ter zake. Een uitstel of betalingsregeling kan alleen met toestemming van [eiser] worden afgesproken. [gedaagde] moet de lening en de overeengekomen rente terugbetalen 4.8 Nu is vastgesteld dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen en dat de daarin overeengekomen rente rechtsgeldig is overeengekomen, terwijl tevens is gebleken dat zowel de lening als de overeengekomen rente opeisbaar zijn geworden, is de vordering van [eiser] tot betaling van deze bedragen toewijsbaar. 4.9 [eiser] heeft de gevorderde hoofdsom en overeengekomen rente gematigd tot een totaalbedrag van € 25.000,00. De kantonrechter zal dat bedrag toewijzen. De wettelijke rente wordt afgewezen 4.10 De gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen. Partijen zijn immers een contractuele rente overeengekomen en voor toewijzing van de wettelijke rente daar bovenop bestaat geen wettelijke grondslag. De proceskosten worden toegewezen 4.11 [gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: dagvaarding € 145,45 griffierecht € 732,00 salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00) - nakosten € 135,00 Totaal € 2.098,45 Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:15735 text/xml public 2026-03-30T15:56:53 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-11-20 11700322 CV EXPL 25-2041 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15735 text/html public 2026-03-30T15:56:28 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:15735 Rechtbank Rotterdam , 20-11-2025 / 11700322 CV EXPL 25-2041 Geldlening RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 11700322 CV EXPL 25-2041 datum uitspraak: 20 november 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] eiser, gemachtigde: mr. H.J.C. de Waard tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde. De partijen worden hierna ‘ [eiser] en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1 Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 22 mei 2025, met bijlagen; de conclusie van antwoord, met bijlage; een aanvullende bijlage, door gedaagde overhandigd ter zitting. 1.2 Op 10 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser] , bijgestaan door zijn gemachtigde en [gedaagde] . 2 De feiten 2.1 [eiser] en [gedaagde] zijn op 10 november 2022, 22 februari 2023 en 14 maart 2023 schriftelijk overeengekomen dat [eiser] geld zou lenen aan [gedaagde] en [gedaagde] het geleende bedrag (van in totaal € 19.200,00) zou terugbetalen, verhoogd met een bedrag aan rente van € 6.680,00. 2.2 [gedaagde] heeft het geleende bedrag gebruikt om betalingen te verrichten aan een man in Manilla die heeft geschreven dat [gedaagde] een erfenis van € 800.000,- kan verwachten als [gedaagde] geld overmaakt voor het deblokkeren van een buitenlandse bankrekening. 2.3 [eiser] heeft [gedaagde] op 20 maart 2025 een brief gestuurd waarin hij heeft aangegeven tot een betalingsregeling te willen komen. In de brief is opgenomen: “ Indien u niet bereid bent akkoord te gaan met deze regeling, dan komt het aanbod te vervallen en eist cliënt het verschuldigde ineens op. U dient alsdan binnen 6 weken het volledige bedrag te voldoen .” 2.4 [gedaagde] heeft bij e-mailbericht van 25 maart 2025 gereageerd dat hij niet akkoord ging met de voorgestelde betalingsregeling en dat hij [eiser] zou terug betalen zodra hij de beschikking zou hebben over de toegezegde € 800.000,-. 3 Het geschil 3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan [eiser] van: een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling; de proceskosten inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling. 3.2 [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op grond van de tussen partijen overeengekomen geldleningsovereenkomst terugbetaling van een bedrag van € 19.200,00 plus betaling van overeengekomen rente van € 6.680,00 verschuldigd is. Om proceseconomische redenen heeft [eiser] zijn vordering gematigd tot € 25.000,00. Ondanks dat [eiser] [gedaagde] bij brief van 20 maart 2025 om betaling heeft verzocht is betaling uitgebleven. 3.3 [gedaagde] geeft aan dat hij [eiser] wel wil terugbetalen, maar daar momenteel de financiële middelen niet voor heeft. [eiser] vraagt om uitstel van betaling totdat hij het geld uit het buitenland heeft ontvangen. [gedaagde] vindt dat hij de gevorderde wettelijke rente niet hoeft te betalen, omdat hij meent met het bedrag van € 6.680,00 al genoeg rente te betalen. 4 De beoordeling De geldleningsovereenkomst en de overeengekomen rente zijn rechtsgeldig 4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat zij een geldleningsovereenkomst hebben gesloten, waarbij [eiser] en [gedaagde] schriftelijk zijn overeengekomen dat [eiser] geld zou lenen aan [gedaagde] en [gedaagde] het geleende bedrag (van in totaal € 19.200,00) zou terugbetalen, verhoogd met een bedrag aan rente van € 6.680,00. 4.2 In artikel 7:129c BW is bepaald dat een particulier die geld uitleent aan een andere particulier geen recht op rente heeft, tenzij schriftelijk anders is bedongen. Zowel [eiser] als [gedaagde] is de leningsovereenkomst aangegaan als particulier. Zij zijn schriftelijk overeengekomen dat [gedaagde] aan [eiser] vanwege de lening een bedrag van in totaal € 6.680,00 aan rente zal betalen omdat dit is vastgelegd in e-mailberichten. 4.3 Partijen zijn in beginsel vrij overeen te komen welke vergoeding over het geleende bedrag passend is. Deze vrijheid is echter begrensd in die zin dat de contractuele vergoeding niet in strijd mag zijn met de openbare orde en/of de goede zeden . De tussen [eiser] en [gedaagde] overeengekomen eenmalige vergoeding van € 6.680,00, die in dit geval gelijk te stellen is met een contractuele rente, is weliswaar aan te merken als hoog, maar niet als zodanig hoog dat sprake is van strijd met de openbare orde en/of goede zeden. Daarnaast is van belang dat de overeengekomen eenmalige vergoeding is voorgesteld door [gedaagde] zelf. De door [eiser] en [gedaagde] afgesproken contractuele rente is dan ook rechtsgeldig. De geldlening en de overeengekomen rente zijn opeisbaar 4.4 Een geldlener is verplicht het door hem verschuldigde terug te geven binnen zes weken nadat de geldgever heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, tenzij een ander tijdstip voor de terugbetaling uit de overeenkomst voortvloeit . 4.5 [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 20 maart 2025 schriftelijk aangemaand tot betaling en daarbij een betalingstermijn van zes weken gesteld. Nu betaling binnen die termijn is uitgebleven, zijn zowel de lening als de overeengekomen rente opeisbaar geworden. 4.6 [gedaagde] heeft ter zitting verzocht om uitstel van betaling, omdat hij momenteel zeer grote financiële problemen heeft en helemaal niets kan aflossen. Wanneer hij nog een bedrag kan overmaken om de geblokkeerde bankrekening vrij te krijgen, zal de beloofde geldsom overgemaakt worden en kan hij [eiser] afbetalen, aldus [gedaagde] . De kantonrechter heeft ter zitting al opgemerkt dat deze constructie kenmerkend is voor een algemeen bekende oplichtingspraktijk, maar [gedaagde] wil hier niet van horen. Er zijn geen aanwijzingen dat [gedaagde] het bedoelde geld daadwerkelijk zal ontvangen, terwijl er aanwijzingen te over zijn dat hij juist wordt opgelicht. Het is schrijnend dat [gedaagde] zich zo diep in de schulden heeft gestoken en zelfs van plan is om nog meer geld over te maken naar iemand die hem naar alle waarschijnlijkheid oplicht. 4.7 De kantonrechter kan [gedaagde] geen uitstel van betaling geven, zelfs als het waar was dat hij de ‘erfenis’ gaat ontvangen. [eiser] heeft op basis van de wet recht op terugbetaling. Persoonlijke omstandigheden of toekomstige verwachtingen van [gedaagde] doen niet ter zake. Een uitstel of betalingsregeling kan alleen met toestemming van [eiser] worden afgesproken. [gedaagde] moet de lening en de overeengekomen rente terugbetalen 4.8 Nu is vastgesteld dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen en dat de daarin overeengekomen rente rechtsgeldig is overeengekomen, terwijl tevens is gebleken dat zowel de lening als de overeengekomen rente opeisbaar zijn geworden, is de vordering van [eiser] tot betaling van deze bedragen toewijsbaar. 4.9 [eiser] heeft de gevorderde hoofdsom en overeengekomen rente gematigd tot een totaalbedrag van € 25.000,00. De kantonrechter zal dat bedrag toewijzen. De wettelijke rente wordt afgewezen 4.10 De gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen. Partijen zijn immers een contractuele rente overeengekomen en voor toewijzing van de wettelijke rente daar bovenop bestaat geen wettelijke grondslag. De proceskosten worden toegewezen 4.11 [gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.