Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-10-29
ECLI:NL:RBROT:2025:13852
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,056 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/3290
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit Sliedrecht, eisers
(gemachtigde: mr. K.A. Luehof),
en
het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht
(gemachtigde: mr. D. van de Water).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van de aanvraag van eisers om een tegemoetkoming in planschade in verband met het bouwen van een woning nabij de woning van eisers. Eisers zijn het niet eens met de hoogte van het schadebedrag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 23 augustus 2022 heeft het college aan eisers een tegemoetkoming in planschade van € 4.250,- toegekend.
2.1.
Met het bestreden besluit van 30 maart 2023 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
3. Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (de Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden.
In artikel 4.18 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is veroorzaakt door een onherroepelijk besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
De omgevingsvergunning is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Achtergrond
4. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres 1]. Eisers hebben het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade die zij in de vorm van waardevermindering van die woning hebben geleden als gevolg van de verlening van de gefaseerde omgevingsvergunningen op 7 februari 2020 en 21 mei 2021 voor het planologisch mogelijk maken van een vrijstaande woning op thans [adres 2] (het perceel). Eisers wonen recht tegenover het perceel op een afstand van circa 14 meter. De bouw van de woning beperkt het uitzicht dat eisers hebben over de rivier de Beneden-Merwede.
4.1.
Op het perceel is het bestemmingsplan “Woongebied 2016” van toepassing. Op basis van dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming “Wonen-1” (artikel 24 van de planregels), “Verkeer” (artikel 19 van de planregels) en de aanduidingen “geluidzone – industrie – De Staart” (artikel 37.1 van de planregels) en “vrijwaringszone – dijk – 1” (artikel 37.8 van de planregels). Het gebied achter het perceel heeft de aanduiding “Waterstaat – Waterkering” (artikel 33 van de planregels). Tussen partijen is niet in geschil dat ondanks de bestemming “Wonen – 1” een woning ter plaatse niet mogelijk is gelet op de artikelen 24.2.2, onder a en b, 37.1.2 en 37.8 van de planregels. Voorgaande is verdisconteerd in een maatschappelijk risico van 5%. Dit laatste is niet in geschil.
4.2.
Het college heeft de adviezen van [naam 1] en [naam 2] ([naam 1]) van 7 juni 2022 en 18 januari 2023 aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd.
Maximale planologische invulling
5. Eisers betogen onder verwijzing naar het advies van de Stichting Advisering Onroerende Zaken (de SAOZ) van november 2022 dat het college het advies van [naam 1] niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen, voor zover de planvergelijking die door [naam 1] is gemaakt onjuist is en als gevolg daarvan de planschadetaxatie te laag is uitgevallen. Daartoe voeren zij aan dat ten onrechte rekening is gehouden met de maximale planologische invulling van het tussengelegen gebied met de bestemming “Verkeer”, aangezien met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dat een geluidsscherm van 6,5 meter hoog kan worden gerealiseerd. De SAOZ acht een geluidscherm op deze locatie (mede gezien het type weg, de breedte daarvan en de met een dergelijke voorziening te beschermen geluidgevoelige objecten) uitgesloten. Het is op de Baanhoek fysiek en technisch niet mogelijk om een geluidsscherm van 6,5 meter hoog aan te brengen. Er is geen ruimte voor een geluidsscherm op de weg en een geluidscherm zou een belemmering vormen voor het verkeer. Boven op de dijk zou wind bovendien een belemmering vormen voor het plaatsen van een geluidscherm. Verder zou het geluidsscherm een gevaar vormen voor mogelijke speelgebieden. Het is ook onaannemelijk dat een geluidsscherm vlak voor en bijna tegen een woning wordt geplaatst, omdat het industrieterrein De Staart op ruime afstand van de woning ligt.
5.1.
Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade wordt onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt een vergelijking gemaakt tussen de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, en het oude planologische regime. In deze vergelijking gaat het niet om de feitelijke situatie in het plangebied, maar om wat op grond van het oude en nieuwe planologische regime is toegestaan, ongeacht of de desbetreffende planologische mogelijkheden volledig zijn benut. Vergelijk de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690. Dit uitgangspunt geldt eveneens voor de planologische mogelijkheden van de tussenliggende gronden. Slechts ingeval het benutten van deze mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, onder 11.
Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden. Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, onder 13.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de weg tussen het perceel van eiser en het perceel als tussenliggende grond moet worden aangemerkt.
5.3.
De omgevingsvergunning maakt een woning mogelijk met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8 meter. De woning is aan de straatzijde 10 meter breed en 8 meter diep. Het bouwoppervlak van de woning bedraagt 80 m2.
5.4.
Op grond van artikel 19.2.3, onder b, van de planregels gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels: de bouwhoogte van geluidsschermen mag niet meer bedragen dan 6,5 meter.
De weg met de bestemming “Verkeer” heeft de gebiedsaanduiding “geluidzone – industrie – De Staart”. Op grond van artikel 3[7].1.1 zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding “geluidzone - industrie - De Staart” mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de geluidsbelasting van het industrieterrein.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op basis van de adviezen van [naam 1] terecht op het standpunt gesteld dat het geluidscherm van 6,5 meter hoog op de weg op de peildatum van 22 mei 2021 niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten. De rechtbank stelt vast dat voor een groot gebied tot ver achter de woning van eisers de gebiedsaanduiding “geluidzone industrie De Staart” geldt. Dat het industrieterrein De Staart op geruime afstand van het perceel is gelegen doet daar verder niet aan af. De planwetgever heeft het nodig geacht om op deze locatie de gebiedsaanduiding op te nemen waar in samenhang met de bestemming “Verkeer” een geluidsscherm van 6,5 meter hoog kan worden gerealiseerd. In het advies van [naam 1] wordt bovendien als concreet voorbeeld verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:985. De Afdeling oordeelde dat een geluidsscherm van 13 meter hoog nabij de aansluiting van de Schielandweg op de Kanaaldijk in Waddinxveen niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten. Uit deze casus blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het gaat om een streng criterium. De stelling van eisers dat een geluidsscherm fysiek en technisch niet mogelijk is hebben eisers niet met objectieve en verifieerbare stukken, zoals een constructierapport, verkeersveiligheidsanalyse of een schriftelijke verklaring van de dijkbeheerder, onderbouwd.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2025.
De griffier is buiten staat deze uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.18. (nadeelcompensatie Spoedwet wegverbreding, Wet luchtvaart en artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening)
1. Het oude recht blijft van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als voor de inwerkingtreding van die wet schade is veroorzaakt door:
[…];
[…];
een onherroepelijk besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend,
[…], of
voor een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of een ambtshalve te nemen besluit is bekendgemaakt,
en het besluit onherroepelijk wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld.
3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Wet ruimtelijke ordening
Artikel 6.1
Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is:
[…];
[…];
een besluit omtrent een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, c of g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
[…].
3. De aanvraag bevat een motivering, alsmede een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde tegemoetkoming.
4. Een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van een oorzaak als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, e, f of g, moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop die oorzaak onherroepelijk is geworden.
[…].
Artikel 6.2
Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager.
In ieder geval blijft voor rekening van de aanvrager:
[…];
van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, tenzij de vermindering het gevolg is:
1°. van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond, of
2°. van op de onroerende zaak betrekking hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1.
Bestemmingsplan Woongebied 2016
Artikel 19 Verkeer
19.1
Bestemmingsomschrijving
19.1.1
Algemeen
De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wegen;
voet- en fietspaden;
parkeren;
verblijfs- en speelgebied;
geluidwerende voorzieningen;
nutsvoorzieningen;
roen;
water;
bij deze bestemming horende voorzieningen zoals straatmeubilair.
[…].
19.2
Bouwregels
19.2.1
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
a.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/3290
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit Sliedrecht, eisers
(gemachtigde: mr. K.A. Luehof),
en
het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht
(gemachtigde: mr. D. van de Water).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van de aanvraag van eisers om een tegemoetkoming in planschade in verband met het bouwen van een woning nabij de woning van eisers. Eisers zijn het niet eens met de hoogte van het schadebedrag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 23 augustus 2022 heeft het college aan eisers een tegemoetkoming in planschade van € 4.250,- toegekend.
2.1.
Met het bestreden besluit van 30 maart 2023 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
3. Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (de Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden.
In artikel 4.18 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is veroorzaakt door een onherroepelijk besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
De omgevingsvergunning is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Achtergrond
4. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres 1]. Eisers hebben het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade die zij in de vorm van waardevermindering van die woning hebben geleden als gevolg van de verlening van de gefaseerde omgevingsvergunningen op 7 februari 2020 en 21 mei 2021 voor het planologisch mogelijk maken van een vrijstaande woning op thans [adres 2] (het perceel). Eisers wonen recht tegenover het perceel op een afstand van circa 14 meter. De bouw van de woning beperkt het uitzicht dat eisers hebben over de rivier de Beneden-Merwede.
4.1.
Op het perceel is het bestemmingsplan “Woongebied 2016” van toepassing. Op basis van dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming “Wonen-1” (artikel 24 van de planregels), “Verkeer” (artikel 19 van de planregels) en de aanduidingen “geluidzone – industrie – De Staart” (artikel 37.1 van de planregels) en “vrijwaringszone – dijk – 1” (artikel 37.8 van de planregels). Het gebied achter het perceel heeft de aanduiding “Waterstaat – Waterkering” (artikel 33 van de planregels). Tussen partijen is niet in geschil dat ondanks de bestemming “Wonen – 1” een woning ter plaatse niet mogelijk is gelet op de artikelen 24.2.2, onder a en b, 37.1.2 en 37.8 van de planregels. Voorgaande is verdisconteerd in een maatschappelijk risico van 5%. Dit laatste is niet in geschil.
4.2.
Het college heeft de adviezen van [naam 1] en [naam 2] ([naam 1]) van 7 juni 2022 en 18 januari 2023 aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd.
Maximale planologische invulling
5. Eisers betogen onder verwijzing naar het advies van de Stichting Advisering Onroerende Zaken (de SAOZ) van november 2022 dat het college het advies van [naam 1] niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen, voor zover de planvergelijking die door [naam 1] is gemaakt onjuist is en als gevolg daarvan de planschadetaxatie te laag is uitgevallen. Daartoe voeren zij aan dat ten onrechte rekening is gehouden met de maximale planologische invulling van het tussengelegen gebied met de bestemming “Verkeer”, aangezien met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dat een geluidsscherm van 6,5 meter hoog kan worden gerealiseerd. De SAOZ acht een geluidscherm op deze locatie (mede gezien het type weg, de breedte daarvan en de met een dergelijke voorziening te beschermen geluidgevoelige objecten) uitgesloten. Het is op de Baanhoek fysiek en technisch niet mogelijk om een geluidsscherm van 6,5 meter hoog aan te brengen. Er is geen ruimte voor een geluidsscherm op de weg en een geluidscherm zou een belemmering vormen voor het verkeer. Boven op de dijk zou wind bovendien een belemmering vormen voor het plaatsen van een geluidscherm. Verder zou het geluidsscherm een gevaar vormen voor mogelijke speelgebieden. Het is ook onaannemelijk dat een geluidsscherm vlak voor en bijna tegen een woning wordt geplaatst, omdat het industrieterrein De Staart op ruime afstand van de woning ligt.
5.1.
Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade wordt onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt een vergelijking gemaakt tussen de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, en het oude planologische regime. In deze vergelijking gaat het niet om de feitelijke situatie in het plangebied, maar om wat op grond van het oude en nieuwe planologische regime is toegestaan, ongeacht of de desbetreffende planologische mogelijkheden volledig zijn benut. Vergelijk de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690. Dit uitgangspunt geldt eveneens voor de planologische mogelijkheden van de tussenliggende gronden. Slechts ingeval het benutten van deze mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, onder 11.
Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden. Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, onder 13.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de weg tussen het perceel van eiser en het perceel als tussenliggende grond moet worden aangemerkt.
5.3.
De omgevingsvergunning maakt een woning mogelijk met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8 meter. De woning is aan de straatzijde 10 meter breed en 8 meter diep. Het bouwoppervlak van de woning bedraagt 80 m2.
5.4.
Op grond van artikel 19.2.3, onder b, van de planregels gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels: de bouwhoogte van geluidsschermen mag niet meer bedragen dan 6,5 meter.
De weg met de bestemming “Verkeer” heeft de gebiedsaanduiding “geluidzone – industrie – De Staart”. Op grond van artikel 3[7].1.1 zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding “geluidzone - industrie - De Staart” mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de geluidsbelasting van het industrieterrein.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op basis van de adviezen van [naam 1] terecht op het standpunt gesteld dat het geluidscherm van 6,5 meter hoog op de weg op de peildatum van 22 mei 2021 niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten. De rechtbank stelt vast dat voor een groot gebied tot ver achter de woning van eisers de gebiedsaanduiding “geluidzone industrie De Staart” geldt. Dat het industrieterrein De Staart op geruime afstand van het perceel is gelegen doet daar verder niet aan af. De planwetgever heeft het nodig geacht om op deze locatie de gebiedsaanduiding op te nemen waar in samenhang met de bestemming “Verkeer” een geluidsscherm van 6,5 meter hoog kan worden gerealiseerd. In het advies van [naam 1] wordt bovendien als concreet voorbeeld verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:985. De Afdeling oordeelde dat een geluidsscherm van 13 meter hoog nabij de aansluiting van de Schielandweg op de Kanaaldijk in Waddinxveen niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten. Uit deze casus blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het gaat om een streng criterium. De stelling van eisers dat een geluidsscherm fysiek en technisch niet mogelijk is hebben eisers niet met objectieve en verifieerbare stukken, zoals een constructierapport, verkeersveiligheidsanalyse of een schriftelijke verklaring van de dijkbeheerder, onderbouwd.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2025.
De griffier is buiten staat deze uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.18. (nadeelcompensatie Spoedwet wegverbreding, Wet luchtvaart en artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening)
1. Het oude recht blijft van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als voor de inwerkingtreding van die wet schade is veroorzaakt door:
[…];
[…];
een onherroepelijk besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend,
[…], of
voor een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of een ambtshalve te nemen besluit is bekendgemaakt,
en het besluit onherroepelijk wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld.
3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Wet ruimtelijke ordening
Artikel 6.1
Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is:
[…];
[…];
een besluit omtrent een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, c of g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
[…].
3. De aanvraag bevat een motivering, alsmede een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde tegemoetkoming.
4. Een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van een oorzaak als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, e, f of g, moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop die oorzaak onherroepelijk is geworden.
[…].
Artikel 6.2
Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager.
In ieder geval blijft voor rekening van de aanvrager:
[…];
van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, tenzij de vermindering het gevolg is:
1°. van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond, of
2°. van op de onroerende zaak betrekking hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1.
Bestemmingsplan Woongebied 2016
Artikel 19 Verkeer
19.1
Bestemmingsomschrijving
19.1.1
Algemeen
De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wegen;
voet- en fietspaden;
parkeren;
verblijfs- en speelgebied;
geluidwerende voorzieningen;
nutsvoorzieningen;
roen;
water;
bij deze bestemming horende voorzieningen zoals straatmeubilair.
[…].
19.2
Bouwregels
19.2.1
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
a.