Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-07
ECLI:NL:RBROT:2025:13788
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,892 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 7 november 2025
[verzoekster]
,
wonende op een (bij de rechtbank bekend) geheim adres,
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 25 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 25 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 30 oktober 2025.
GGN Mastering Credit B.V. heeft namens Stichting Hef Wonen (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting op 29 oktober 2025 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In dit verweerschrift heeft GGN Mastering Credit B.V. meegedeeld dat verweerster niet ter zitting zal verschijnen.
Ter zitting van 30 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw S. van Delft en mevrouw T. Isik, beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Schuldhulpverlening heeft op 31 oktober 2025 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de huurachterstand een gezamenlijke schuld is van haar en haar ex-echtgenoot en dat de achterstand in de betalingsregeling is ontstaan doordat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij haar deel van de schuld had betaald.
Verzoekster heeft maandelijks € 2.736,66 inkomsten uit een WIA-uitkering met een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen vanuit de gemeente Rotterdam, kinderalimentatie en kindgebonden budget. Verzoekster heeft ook een eigen onderneming, waaruit zij – op dit moment – geen inkomsten ontvangt. De inkomsten van verzoekster zijn voldoende om de lopende maandelijkse huurtermijnen van € 1.402,85 te voldoen. De huurtermijn van oktober 2025 is tijdig op 29 september 2025 voldaan. De huurtermijn van november 2025 is tijdig op 30 oktober 2025 voldaan. Verzoekster zal er zelf voor zorgen dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Schuldhulpverlening is nog bezig met de inventarisatie van de schulden en verwacht binnenkort het schuldhulpverlenings-traject te kunnen aanvangen.
3Het verweer
Uit het vonnis van de kantonrechter van 12 mei 2023 blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een regeling. Verzoekster zou een bedrag van € 5.000,00 ineens voldoen en vervolgens vanaf 1 juli 2023 een aflossingsbedrag van € 100,00 per maand. Verzoekster heeft het bedrag van € 5.000,00 en de lopende huurtermijnen voldaan. Zij heeft echter vanaf 30 januari 2024 – zonder opgave van reden – het aflossingsbedrag van € 100,00 per maand niet meer voldaan.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 3 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 1 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij met haar minderjarige kinderen in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 mei 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijn van oktober 2025 is tijdig op 29 september 2025 voldaan. De huurtermijn van november 2025 is tijdig op 30 oktober 2025 voldaan. De inkomsten van verzoekster zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De rechtbank heeft er voldoende vertrouwen in dat verzoekster de lopende huurtermijnen tijdig zal voldoen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 mei 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 25 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.