Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-05
ECLI:NL:RBROT:2025:13653
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,423 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
[insolventienummer]
vonnis van: 5 november 2025
op het verzoek van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Procesverloop
1.1.
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
De schuldhulpverlener van de heer [verzoeker] heeft op 15 juli 2025 en op 21 oktober 2025 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
1.3.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 29 oktober 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker] ,
- mevrouw L. van der Steen-Ridder, schuldhulpverlener bij Zuidweg & Partners.
Beoordeling
De toelating
2.1.
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat de heer [verzoeker] een schuld heeft aan de belastingdienst van in totaal € 50.131,00. Een deel van deze schuld is ontstaan in 2022 en valt daarmee binnen de driejaarstermijn. Deze schulden vloeien voort uit de onderneming van de heer [verzoeker] . De onderneming is inmiddels gestaakt, maar niet volledig administratief afgewikkeld. De aangiften over het jaar 2024 en 2025 zijn nog niet ingediend waardoor de omvang van de totale schuldenlast nog niet geheel vaststaat en er op dit moment vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de goede trouw ten aanzien van het ontstaan van deze fiscale schulden. De schulden aan de belastingdienst staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.3.
Desondanks ziet de rechtbank aanleiding om de heer [verzoeker] met toepassing van de hardheidsclausule toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. De heer [verzoeker] heeft aannemelijk gemaakt dat hij de omstandigheden die tot het ontstaan van zijn schulden hebben geleid inmiddels onder controle heeft. De onderneming van de heer [verzoeker] is op 5 april 2025 uitgeschreven na een levensvatbaarheidsonderzoek. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt dat de heer [verzoeker] , samen met schuldhulpverlening, de toezegging heeft gedaan om de boekhouding van zijn voormalige onderneming alsnog af te wikkelen met ondersteuning van Stichting OverRood. Zijn boekhouder beschikt nog over de volledige administratie, maar heeft de werkzaamheden opgeschort vanwege betalingsachterstanden. De heer [verzoeker] heeft verklaard dat hij met behulp van Stichting OverRood in staat zal zijn om de jaarrekeningen op te stellen en de nog ontbrekende aangiften in te dienen, zodat de omvang van de belastingschulden kan worden vastgesteld en de onderneming volledig kan worden afgewikkeld.
2.4.
Daarnaast heeft de rechtbank er voldoende vertrouwen in dat de heer [verzoeker] de verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen. De heer [verzoeker] heeft verklaard dat hij bereid is om te werken en zich zal inspannen om (meer) inkomsten te genereren, voor zover zijn medische situatie dit toelaat.
2.5.
De heer [verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.6.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.7.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.8.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.9.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.10.
De rechtbank stelt vast dat de heer [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan.
2.11.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
3De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
3.1.
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). De heer [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .
3.6.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
Dictum
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] -1985 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ;
voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] ,
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder B. van Huessen,
gevestigd te Postbus 136,
2990 AC Barendrecht;
stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 5 november 2025 en de duur op 18 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 5 mei 2027;
draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.