Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-19
ECLI:NL:RBROT:2025:13397
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,658 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/707139 / FA RK 25-7194
Beschikking van 19 november 2025 over het ouderlijk gezag
in de zaak van:
[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. Chr.E. Pfeiffer te Hellevoetsluis,
t e g e n
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. W.M. Smeets te Hellevoetsluis.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 19 september 2025;
het bericht met bijlagen van de man van 8 oktober 2025;
het verweerschrift tevens verzoekschrift van de vrouw van 10 oktober 2025.
1.2.
De man heeft op 13 oktober 2025, 14 oktober 2025 en op 15 oktober 2025 aanvullende stukken overgelegd. De vrouw heeft op 14 oktober 2025 een aanvullend stuk overgelegd. Deze stukken zijn niet ingediend binnen de daarvoor geldende termijn van drie dagen voor de mondelinge behandeling, zodat de rechtbank daar geen acht op zal slaan.
1.3.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
1.4.
Op 15 oktober 2025 heeft gelijktijdig de mondelinge behandeling plaatsgevonden van de kort gedingprocedure (C/10/706966, KG ZA 25-947). De voorzieningenrechter heeft uitspraak gedaan op 29 oktober 2025. De rechtbank heeft in de bodemzaak door tijdgebrek alleen het verzoek van de man om gezamenlijk gezag behandeld. Alle overige verzoeken zijn aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling.
1.5.
De minderjarige [minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft in het antwoordformulier op 14 oktober 2025 aangegeven hiervan geen gebruik te willen maken. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de minderjarige wellicht toch van deze gelegenheid gebruik wilde maken en heeft de kinderrechter hem uitgenodigd voor een gesprek. De minderjarige heeft op 16 oktober 2025 via Teams met de kinderrechter gesproken.
2De vaststaande feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, aan welke relatie al geruime tijd een einde is gekomen.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] .
2.3.
Partijen hebben ook een meerderjarige zoon, [meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2005 te [geboorteplaats 2] .
2.4.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.5.
De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
2.6.
Partijen wonen ten tijde van de indiening van het verzoek samen met beide kinderen in hun gezamenlijke woning.
2.7.
Bij vonnis van 29 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de man om het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning afgewezen en – conform de eis in reconventie van de vrouw – de man op straffe van een dwangsom veroordeeld eraan mee te werken dat partijen om de week afwisselend met de minderjarige in de gezamenlijke woning aan het [adres] zullen verblijven, waarbij het wisselmoment op zondag om 19.00 uur zal zijn, waarbij de man de woning tijdig en opgeruimd voor de vrouw dient te verlaten, voor het eerst op zondag 2 november 2025 om 19.00 uur, en deze niet verder te betreden tot zondag 9 november 2025 om 19.00 uur waarop de eigen week van de man met de minderjarige in de gezamenlijke woning aanvangt en zo verder.
Beoordeling
3.1.
Gezag
3.1.1.
De man wil mede met het gezag over de minderjarige worden belast.
3.1.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.1.4.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
3.1.5.
Als belangrijkste argument voor het verkrijgen van (gezamenlijk) gezag voert de man aan dat het gezag - omdat partijen geen ouderschapsplan hebben opgesteld - noodzakelijk is om als alleenstaande ouder met kind in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring als woningzoekende. Na betwisting van deze stelling door de vrouw heeft de man niet nader onderbouwd dat voor het verkrijgen van een urgentieverklaring als woningzoekende, naast een beslissing van de voorzieningenrechter over de voorlopige uitgebreide omgangsregeling, (gezamenlijk) gezag als voorwaarde wordt gesteld. Los daarvan kan de rechtbank dit argument niet plaatsen binnen het wettelijk kader voor gezamenlijk gezag. Ook weegt de noodzaak voor het verkrijgen van een urgentieverklaring als woningzoekende niet op tegen de grote zorgen die de rechtbank op dit moment heeft over de wijze waarop partijen met elkaar omgaan.
3.1.6.
Doordat geen van partijen in staat is om de gezamenlijke woning over te nemen en zij ook geen zicht hebben op andere woonruimte, zijn de spanningen tussen hen in het afgelopen jaar opgelopen en is er een strijd ontstaan over wie voorlopig met de minderjarige in de gezamenlijke woning kan verblijven. Tot de uitspraak van de voorzieningenrechter woonden partijen nog met elkaar onder één dak, waardoor de minderjarige dagelijks werd geconfronteerd met de spanningen en ruzies tussen zijn ouders. Partijen zijn niet in staat gebleken om de strijd te staken en in het belang van de minderjarige met elkaar te overleggen en afspraken te maken over de verdeling van de zorg over de minderjarige.
3.1.7.
Hoewel gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is en partijen tijdens de samenleving allebei voor de minderjarige hebben gezorgd, is de rechtbank van oordeel dat de verhoudingen tussen partijen inmiddels zodanig verstoord zijn geraakt, dat er op dit moment geen basis is voor een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening.
3.1.8.
Tekenend voor de onderlinge verhoudingen acht de rechtbank dat de man ter onderbouwing van zijn verzoek stelt dat de vrouw verward gedrag vertoont, dat hierdoor een onveilige thuissituatie voor de minderjarige is ontstaan en dat de minderjarige alleen bij de man wil blijven wonen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat de kinderen geen van beiden bij de vrouw willen wonen en dat hij de vrouw niet in staat acht voor de minderjarige te zorgen, vanwege haar gedragsproblematiek. De vrouw betwist dat bij haar sprake is van psychische problemen of onveiligheid en stelt dat de man zijn aandeel in de ontstane situatie ontkent. Volgens de vrouw verloopt het één op één contact met de minderjarige en zijn beide ouders goed en zitten de spanningen vooral tussen partijen. Zij staat niet onwelwillend tegenover het gezamenlijk gezag, maar gelet op de wijze waarop de man zich jegens haar opstelt, acht zij het op dit moment niet mogelijk om met de man afspraken te maken over de minderjarige.
3.1.9.
De rechtbank acht het kwalijk dat de man de mentale gezondheid en de opvoedcapaciteiten van de vrouw in twijfel trekt en daar tijdens de mondelinge behandeling in blijft volharden, zonder dat daarvoor objectieve aanwijzingen zijn. Uit de door de man overgelegde stukken van betrokken instanties blijkt niet dat de situatie voor de minderjarige onveilig is of dat er sprake is van ongeschiktheid van één van partijen om voor de minderjarige te zorgen. Zoals de vrouw ook stelt, lijkt er sprake te zijn van een overbelaste, overspannen thuissituatie als gevolg van de ontstane impasse. Daarbij kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat de man de minderjarige hierin betrekt. Zo heeft hij de minderjarige meegenomen naar de huisarts om melding te maken van het verwarde gedrag van de vrouw en heeft hij meerdere verklaringen van de kinderen overgelegd, waarin zij zich negatief uitlaten over hun moeder.
3.1.10.
Uit het voorgaande blijkt dat partijen elkaar in de afgelopen tijd uit het oog zijn verloren als ouders van de minderjarige en zich hebben vastgebeten in een strijd om het eigen (juridisch) gelijk te behalen. Uit de stukken blijkt dat de minderjarige last heeft van de voortdurende spanningen tussen zijn ouders. De man lijkt op dit moment uit het oog te verliezen dat de minderjarige er recht op en belang bij heeft om onbelast contact te hebben met zijn beide ouders en dat hij zich - ongeacht de gezagspositie - tot de vrouw zal moeten verhouden als mede-opvoeder van de minderjarige. Het gezamenlijk gezag vergt dat partijen met elkaar in gesprek gaan en in ieder geval in staat zijn om afspraken te maken over een verdeling van de zorg over de minderjarige.
3.1.11.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verhoudingen tussen partijen op dit moment zo verhard zijn, dat er niet slechts sprake is van een gebrekkige of afwezige communicatie, zoals de man betoogt, maar dat de basis voor een effectieve communicatie over de minderjarige op dit moment ontbreekt. Op dit moment zijn partijen niet in staat om uit hun rol als ex-partner te stappen en als ouders van de minderjarige op gelijkwaardige basis het gesprek met elkaar aan te gaan, laat staan om samen invulling aan het ouderschap te geven. De balans in de ouderrelatie zal moeten worden hersteld om te voorkomen dat de minderjarige klem blijft zitten tussen zijn ouders. De raad heeft geadviseerd om voor de minderjarige een situatie te creëren waarbij de ouders niet meer dagelijks met elkaar worden geconfronteerd. Om contactverlies tussen de minderjarige en één van de ouders te voorkomen heeft de voorzieningenrechter het noodzakelijk geacht te bepalen dat de ouders om en om met de minderjarige in de gezamenlijke woning zullen verblijven. Toewijzing van het verzoek van de man om gezamenlijk gezag zal er op dit moment vooral toe leiden dat de minderjarige klem of verloren blijft tussen zijn ouders.
3.1.12.
Dat neemt niet weg dat de situatie kan verbeteren waaronder door de ordemaatregelen die door de voorzieningenrechter zijn getroffen. Met de beslissing van de voorzieningenrechter om een birdnestregeling te bepalen worden partijen noodzakelijkerwijs minder met elkaar geconfronteerd. Dit zal hopelijk bijdragen aan het normaliseren van de situatie.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
houdt de beslissing over het gezamenlijk gezag pro forma aan tot 1 juni 2026 in afwachting van hetgeen is opgenomen onder 3.1.12;
en voordat verder wordt beslist:
4.2.
bepaalt dat de behandeling van alle overige verzoeken, zoals weergegeven onder 3.2.1. en 3.2.2, worden aangehouden tot de mondelinge behandeling van 26 november 2025 te 14.30 uur;
4.3.
de zaak zal op laatstgenoemde mondelinge behandeling, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. S.L. Raphael, rechter tevens kinderrechter.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K. Willems, griffier, op 19 november 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.