Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-04
ECLI:NL:RBROT:2025:13293
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,993 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/678049 / FA RK 24-3204
Beschikking van 4 november 2025 over de onderhoudsbijdrage en het ouderlijk gezag
in de zaak van:
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. E. Robalo te Rotterdam,
t e g e n
[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J.A. van Essen te Breda.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 april 2024;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 17 juli 2024;
het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken met bijlage;
het bericht met bijlagen van de man van 10 oktober 2025;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 13 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw met haar advocaat;
de man met zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming, vertegenwoordigd door [naam] .
1.3.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt.
2De vaststaande feiten
2.1.
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend. De vrouw is alleen met het ouderlijk gezag belast.
Beoordeling
3.1.
Kinderbijdrage
3.1.1.
De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man met ingang van 29 april 2024 bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) van € 696,- per maand.
3.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de minderjarige ten tijde van het uiteengaan van partijen in 2018 € 552,- per maand bedroeg. Partijen hebben tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt ten aanzien van de kinderbijdrage. De rechtbank zal deze overeenstemming opnemen in deze beschikking.
3.2.
Ouderlijk gezag
3.2.1.
De man verzoekt om hem samen met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
3.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt om afwijzing van het verzoek.
3.2.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.2.4.
De rechtbank is van oordeel dat afwijzing van het verzoek in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Allereerst constateert de rechtbank dat de man nimmer het ouderlijk gezag over de minderjarige heeft uitgeoefend, noch dat hij daartoe concrete stappen heeft ondernomen. Inmiddels is de minderjarige bijna achttien jaar oud, zodat de periode waarin het ouderlijk gezag effectief is nog maar zeer kort is. De man heeft al geruime tijd nauwelijks meer contact met de minderjarige en weet niet wat er in het leven van de minderjarige speelt. De minderjarige heeft in een brief aan de kinderrechter geschreven dat zij vindt dat de kwestie van het ouderlijk gezag iets is tussen haar ouders. Zij heeft ook geschreven dat haar ouders ruzie hebben en dat ze daar meer last van heeft dat ze laat merken. Zij is erg teleurgesteld in de man. Dat het contact met hem is verbroken komt door de man zelf. Gezien haar leeftijd weegt de mening van de minderjarige zwaar mee voor de rechtbank. Vast staat dat contact tussen partijen niet mogelijk gezien hun ernstig verstoorde verstandhouding. Niet betwist is dat de man ieder contact met de vrouw uit de weg gaat omdat er continu strijd tussen partijen ontstaat. Uit deze omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
3.3.
Proceskosten
3.3.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de kinderbijdrage hebben getroffen, te weten dat de man aan de vrouw met ingang van 1 oktober 2025, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 209,- per maand, alsmede eenmalig een bedrag van € 1.000,-;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.W. Panhuizen, griffier, op 4 november 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.