Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-07
ECLI:NL:RBROT:2025:13199
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,925 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit Rotterdam, eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. S. Ercan).
Inleiding
1. Het gaat in deze zaak over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken vanwege de medische situatie van haar dochter.
1.1.
Op 7 maart 2024 heeft eiseres een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 maart 2024 afgewezen (het afwijzingsbesluit). Volgens het college heeft eiseres al een eigen geschikte parkeerplaats en wordt dus niet aan de voorwaarden voor het realiseren van een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken voldaan. Eiseres is het niet eens met het afwijzingsbesluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.2.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit), waarin het college bij het afwijzingsbesluit is gebleven. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres (samen met haar partner [naam]) en de gemachtigde van het college deelgenomen.
1.4.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Het college mocht bij de afwijzing van de aanvraag blijven. Eiseres kan geen geslaagd beroep doen op de hardheidsclausule en er is geen sprake van onevenredigheid. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling
Wat is het toetsingskader?
2. Een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken is een gereserveerde parkeerplaats voor een persoon met een handicap bij diens woning of werk, alleen voor het aangegeven kenteken. Om in aanmerking te komen voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken moet er voldaan zijn aan de voorwaarden die genoemd zijn in artikel 1 van de Beleidsregel Gehandicaptenparkeerplaats op kenteken 2016 (de Beleidsregel). Een van die voorwaarden is dat de aanvrager niet beschikt of niet kan beschikken over een geschikte parkeergelegenheid die onderdeel vormt van het gebouw waar de aanvrager woont.
2.1.
Op grond van artikel 5 van de Beleidsregel kan het college afwijken van de Beleidsregel als toepassing tot onbillijkheid van overwegende aard leidt (de hardheidsclausule).
2.2.
Verder volgt uit artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (het evenredigheidsbeginsel).
Over welke feiten zijn eiseres en het college het eens?
3. Eiseres en het college zijn het erover eens dat eiseres beschikt over een eigen parkeerplaats die onderdeel vormt van haar woning. Ook zijn eiseres en het college het erover eens dat de dochter van eiseres autisme, een verstandelijke beperking en epilepsie heeft en daardoor extra zorg nodig heeft.
Wat zijn de standpunten van eiseres in beroep?
4. Eiseres vindt dat het college onterecht bij het afwijzingsbesluit is gebleven, omdat de eigen parkeerplaats van eiseres niet geschikt is gelet op de medische situatie van haar dochter. Vanwege een prikkelverwerkingsstoornis ervaart haar dochter extreme overprikkeling bij onverwachte situaties of drukke omgevingen. Volgens eiseres kan dit leiden tot ernstige gedragsproblemen en zelfs tot zelfverwonding. Er is constant toezicht nodig vanwege de epileptische aanvallen en het beperkte besef van gevaar bij haar dochter. Door deze medische situatie is het volgens eiseres van cruciaal belang dat haar dochter zo snel en veilig mogelijk van en naar de auto kan worden begeleid, zonder onnodige prikkels of onverwachte situaties. Dit is volgens eiseres alleen mogelijk als de auto direct voor de woning kan worden geparkeerd. De eigen parkeerplaats van eiseres grenst aan een hofje waar dagelijks kleine kinderen spelen. Dit is voor de dochter van eiseres een constante bron van overprikkeling en kan leiden tot heftige reacties en gevaarlijke situaties. Eiseres kan haar dochter naar eigen zeggen geen moment uit het oog verliezen. De eigen parkeerplaats van eiseres is daarom niet geschikt. Daarnaast vindt eiseres dat zij een geslaagd beroep kan doen op de hardheidsclausule en dat sprake is van onevenredigheid. Tot slot vindt eiseres dat het college te laat op haar bezwaarschrift heeft beslist.
Mocht het college bij de afwijzing van de aanvraag blijven?
5. De rechtbank stelt voorop dat zij zich kan voorstellen dat de thuissituatie van eiseres (en haar partner) vaak erg moeilijk is vanwege de medische situatie van haar dochter. De rechtbank heeft namelijk in het dossier gelezen en van eiseres en haar partner op de zitting gehoord wat de medische situatie van hun dochter is en wat de impact daarvan is op het gezin. Het is duidelijk dat die impact groot is. Eiseres en haar partner maken zich veel zorgen om (de toekomst van) hun dochter. Ondanks het begrip van de rechtbank voor de situatie van eiseres, is de rechtbank van oordeel dat het college bij de afwijzing van de aanvraag mocht blijven. De rechtbank legt hierna uit waarom zij dat vindt.
5.1.
Zoals eerder al is overwogen, staat vast dat eiseres de beschikking heeft over een eigen parkeerplaats bij haar woning. De vraag is dan of het college mocht concluderen dat die eigen parkeerplaats een geschikte parkeergelegenheid is zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Beleidsregel. Gelet op alles wat door partijen naar voren is gebracht, vindt de rechtbank dat het college dit heeft mogen concluderen. De eigen parkeerplaats van eiseres bevindt zich namelijk aan een doodlopende weg, direct achter en op minimale loopafstand van haar woning. Deze weg zal over het algemeen rustiger zijn dan de gewone doorlopende weg aan de voorzijde van de woning, waar het ook mogelijk is om spelende kinderen tegen te komen of druk verkeer te ervaren. De rechtbank vindt dat eiseres met de overgelegde stukken en haar toelichting op de zitting niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische situatie van haar dochter dusdanige beperkingen met zich meebrengt dat het echt niet anders kan dan dat haar dochter de woning alleen via de voordeur kan verlaten en daar dan direct in de auto moet stappen. Het college heeft daarom terecht geconcludeerd dat niet aan alle voorwaarden van artikel 1 van de Beleidsregel is voldaan om een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken te realiseren. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
5.2.
Vervolgens is de vraag of het college op grond van de hardheidsclausule had moeten afwijken van de Beleidsregel, omdat de afwijzing van de aanvraag anders zou leiden tot onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank begrijpt, zoals eerder al is aangegeven, dat de medische situatie van de dochter van eiseres en haar partner impact heeft op het gezin en dat eiseres en haar partner zich zorgen maken om (de toekomst van) hun dochter. Toch heeft het college daarin op zichzelf onvoldoende reden hoeven zien om – in afwijking van de geldende regelgeving – toch een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken te realiseren. Het is niet gebleken dat eiseres en haar dochter door de afwijzing van de aanvraag in een situatie terechtkomen waarin het voor de dochter van eiseres onmogelijk is om naar buiten te gaan en het voor eiseres onmogelijk is om haar dochter te kunnen vervoeren. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
5.3.
Tot slot is de vraag of sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het belang bij afwijzing van de aanvraag – het werken aan een leefbare stad door de gemeente Rotterdam – zwaarder weegt dan het belang van eiseres, nu eiseres beschikt over een eigen geschikte parkeerplaats. De rechtbank vindt dat het college het belang van eiseres kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken en dat het college kenbaar heeft gemotiveerd waarom het door eiseres gestelde belang onvoldoende is om – in afwijking van de geldende regelgeving – toch een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken te realiseren. De rechtbank vindt dat niet is gebleken dat de nadelige gevolgen van de afwijzing van de aanvraag voor eiseres onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
Heeft het college te laat beslist op het bezwaar van eiseres?
6. Eiseres heeft haar bezwaarschrift ingediend op 17 april 2024. Het college had binnen zes weken na het verstrijken van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift moeten beslissen op het bezwaar van eiseres. Dit volgt uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb. Uit het dossier blijkt dat het college deze termijn met zes weken heeft verlengd. Dit mag het college doen op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb. Het college had dus uiterlijk op 11 juli 2024 op het bezwaar van eiseres moeten beslissen. Niet is gebleken dat eiseres heeft ingestemd met verder uitstel van deze termijn of dat verder uitstel van deze termijn nodig was vanwege de naleving van wettelijke procedurevoorschriften (zie artikel 7:10, vierde lid, van de Awb). Uiteindelijk heeft het college het bestreden besluit pas op 27 januari 2025 genomen.
Conclusie
7. Het voorgaande betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
7.1.
Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.