Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-07
ECLI:NL:RBROT:2025:13195
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,979 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2661
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit Rotterdam, eiser
(gemachtigde: mr. M.R. de Kok),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR (gemachtigde: mr. M.M. Kleijbeuker).
Inleiding
1. Het gaat in deze zaak over een aan eiser door het CBR opgelegde verplichting tot het volgen van een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) op grond van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).
1.1.
Met het besluit van 7 oktober 2024 heeft het CBR aan eiser de verplichting tot het volgen van een EMA opgelegd (het opleggingsbesluit). Het CBR is daartoe overgegaan naar aanleiding van een mededeling van de politie dat eiser heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een alcoholcontrole. Hieraan ging vooraf dat eiser als verdachte van onder meer het verlaten van de plaats van een ongeval werd aangemerkt en de politie vermoedde dat eiser onder invloed was van alcohol in combinatie met een andere stof. Eiser is het niet eens met het opleggingsbesluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.2.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 10 februari 2025 (het bestreden besluit), waarin het CBR bij het opleggingsbesluit is gebleven. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden deelgenomen. Eiser is niet verschenen.
1.4.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Het CBR mocht bij het opleggingsbesluit blijven. Het CBR mocht namelijk de uitgaan van de juistheid van de processen-verbaal en de bevindingen van de politie en is daarom terecht overgegaan tot het opleggen van de verplichting tot het volgen van een EMA. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling
Heeft eiser nog procesbelang?
2. Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van eiser, moet zij eerst ambtshalve (dat wil zeggen: uit eigen beweging) beoordelen of het beroep ontvankelijk is. Het beroep is onder meer niet-ontvankelijk als het procesbelang van eiser ontbreekt.
2.1.
Uit het verweerschrift van het CBR is gebleken dat eiser de EMA inmiddels heeft gevolgd. Dit betekent dat eiser met deze beroepsprocedure niet meer kan bereiken dat hij de EMA niet hoeft te volgen. Toch is de rechtbank van oordeel dat eiser nog procesbelang heeft, alleen al omdat eiser opleggings- en uitvoeringskosten heeft moeten betalen voor het onderzoek naar de rijgeschiktheid. De rechtbank zal het beroep van eiser daarom inhoudelijk beoordelen.
Wat is het toetsingskader?
3. Het CBR is onder andere belast met de beoordeling van de rijvaardigheid en/of rijgeschiktheid van (toekomstige) rijbewijshouders. Het CBR moet in dat kader, wanneer daartoe aanleiding bestaat, onderzoeken of een rijbewijshouder nog voldoet aan de rijvaardigheids- en geschiktheidseisen. Als sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van ongeschiktheid of onvoldoende rijvaardigheid is het CBR verplicht een daarbij passende maatregel op te leggen. Die maatregel heeft als doel het ontstane vermoeden van ongeschiktheid of onvoldoende rijvaardigheid weg te nemen. Deze procedure is vastgelegd in de artikelen 130 tot en met 134a van de WVW. De specifieke maatregelen die het CBR kan opleggen, zijn vastgelegd in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling). Deze wet- en regelgeving heeft een dwingendrechtelijk karakter.
3.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat, voor het opleggen van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de rijgeschiktheid voor het CBR, voldoende is dat op basis van geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat iemand onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1574). Daarnaast volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat een bestuursorgaan, zoals het CBR, daarbij in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5387). Dat geldt ook voor de rechter, tenzij tegenbewijs aanleiding geeft tot afwijking van dit uitgangspunt. Als uit een proces-verbaal een vermoeden van ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW kan worden afgeleid, vormt dit voldoende grondslag om een bestuursrechtelijke maatregel, in dit geval de verplichting tot het volgen van een EMA, op te leggen.
Wat zijn de bevindingen van de politie?
4. De politie ontving een melding dat er een voertuig was doorgereden na het aanrijden van verschillende geparkeerde voertuigen. Na onderzoek door de politie werd eiser als verdachte aangemerkt van onder meer het verlaten van de plaats van een ongeval. Eiser bevond zich namelijk in de omgeving van het voertuig dat betrokken was bij de aanrijding. Het voertuig bleek op naam van eiser te staan en schade te hebben. Eiser was in het bezit van de sleutel van het voertuig. De sleutels die in het voertuig werden aangetroffen, bleken van een woning te zijn met een adres waarop eiser als enige staat ingeschreven. Een getuige verklaarde dat hij enkel de bestuurder zag uitstappen en gaf het signalement van de bestuurder. Het gegeven signalement kwam volgens de politie overeen met eisers signalement. De politie vermoedde ook dat eiser onder invloed was van alcohol in combinatie met een andere stof. In het dossier staat vermeld dat eiser cocaïne bij zich had, dat zijn adem riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank, dat hij bloeddoorlopen ogen had, dat hij met dubbele tong sprak en dat hij onvast ter been was. Om die reden werd eiser verplicht om mee te werken aan een alcoholcontrole. Eiser weigerde zijn medewerking hieraan. Naar aanleiding hiervan heeft de politie een mededeling gestuurd naar het CBR.
Wat zijn de standpunten van eiser in beroep?
5. Eiser vindt dat het CBR onterecht bij het opleggingsbesluit is gebleven. Volgens eiser had het CBR niet mogen uitgaan van de juistheid van de door de politie opgemaakte processen-verbaal, maar moeten concluderen dat voldoende twijfel bestaat over de toedracht van de aanrijding en de bestuurder van het voertuig. Volgens eiser was het CBR niet bevoegd om de verplichting tot het volgen van een EMA aan hem op te leggen, omdat een redelijke verdenking van schuld aan overtreding van artikel 8 van de WVW ontbrak en de politie daarom niet bevoegd was om hem te bevelen mee te werken aan de alcoholcontrole.
Mocht het CBR bij de opgelegde verplichting tot het volgen van een EMA blijven?
6. De rechtbank is van oordeel dat het CBR bij de opgelegde verplichting tot het volgen van een EMA mocht blijven. De rechtbank legt hierna uit waarom zij dat vindt.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat het in een bestuursrechtelijke (mededelingen)procedure zoals deze, anders dan in een strafrechtelijke procedure, niet is vereist dat een strafbaar feit wettig en overtuigend wordt bewezen. Het hoeft dus niet wettig en overtuigend bewezen te worden dat eiser onder invloed van alcohol en/of andere stoffen een voertuig heeft bestuurd.
6.2.
De rechtbank vindt, mede gelet op de in overweging 4 genoemde bevindingen van de politie, dat het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met voldoende mate van zekerheid kan worden gesteld dat eiser onder invloed van alcohol, en mogelijk ook drugs, een voertuig heeft bestuurd. Hoewel eiser van begin af aan heeft betwist dat hij de bestuurder van het voertuig was, heeft hij tot op heden geen enkele plausibele verklaring gegeven over wie de bestuurder dan wel was. Tijdens de zitting heeft eisers gemachtigde (voor het eerst) weliswaar aangegeven dat de bestuurder een bekende van eiser was en dat eiser in het bezit was van de reservesleutel, maar deze standpunten zijn niet onderbouwd. Daarnaast kan de rechtbank het CBR volgen in het standpunt dat het niet onmogelijk is dat eiser een voertuig heeft bestuurd, ondanks dat hij op dat moment een (zwarte) gipsschoen aan had en de getuige daarover niet heeft verklaard. Een gipsschoen is bedoeld om het dragen van loopgips comfortabeler te maken en om extra bescherming en ondersteuning te bieden bij het lopen. Eiser kon daarmee dus in principe lopen. Om die reden en gelet op het feit dat de aanrijding in de nachtelijke uren wanneer het donker is heeft plaatsgevonden, is het niet ondenkbaar dat de getuige, toen hij eiser zag weglopen, de gipsschoen simpelweg niet is opgevallen. Bovendien heeft de getuige kenmerken genoemd die overeenkwamen met eisers signalement, bijvoorbeeld met betrekking tot eisers jas. Het voorgaande leidt ertoe dat het CBR niet hoefde te concluderen dat er twijfel is over de toedracht van de aanrijding en de bestuurder van het voertuig. Het CBR mocht daarom uitgaan van de juistheid van de inhoud van de processen-verbaal en dus van de bevindingen van de politie. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt dan ook niet.
6.3.
De rechtbank vindt verder dat niet is gebleken dat het CBR niet bevoegd was om de verplichting tot het volgen van een EMA aan eiser op te leggen. Uit de processen-verbaal van de politie volgt dat eiser is bevolen om medewerking te verlenen aan een alcoholcontrole. Vaststaat dat eiser heeft geweigerd hieraan mee te werken.
Conclusie
7. Het voorgaande betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
7.1.
Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.