Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-30
ECLI:NL:RBROT:2025:13136
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
2,001 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2025:13136 text/xml public 2026-04-03T10:31:40 2025-11-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-07-30 11687901 VZ VERZ 25-3275 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2025-1472 VAAN-AR-Updates.nl 2025-1472 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:13136 text/html public 2025-11-13T11:15:03 2025-11-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:13136 Rechtbank Rotterdam , 30-07-2025 / 11687901 VZ VERZ 25-3275 Er is geen sprake van een (arbeids)overeenkomst tussen partijen, dus verzoeken die verband houden met stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst worden afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11687901 VZ VERZ 25-3275 datum uitspraak: 30 juli 2025 (bij vervroeging) Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [verzoeker] , wonende te Dordrecht, verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek, gemachtigde: mr. E. Spijer, advocaat te Maasdijk, tegen Hoftijzer Vastgoedonderhoud B.V., gevestigd te Rotterdam, verweerster, verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek, gemachtigde: mr. T. Harmankaya, advocaat te Den Haag. Partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘Hoftijzer’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift van [verzoeker] , met bijlagen; het verweerschrift van Hoftijzer met (voorwaardelijk) tegenverzoek, met bijlagen; het verweer van [verzoeker] met (voorwaardelijk) tegenverzoek; de pleitnota van de gemachtigde van [verzoeker] . 1.2. Op 16 juli 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: [verzoeker] met zijn partner, zoon en gemachtigde mr. A. Cremer; de gemachtigde van Hoftijzer mr. K. Tülü; de heer [persoon A] (vennoot van LeVel V.O.F., uitdrukkelijk niet als vertegenwoordiger van Hoftijzer). 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [verzoeker] stelt dat hij op 2 april 2024 bij Hoftijzer in dienst is getreden als schilder en dat hij op 12 maart 2025 ten onrechte op staande voet is ontslagen. [verzoeker] wil dat de kantonrechter voor recht verklaart dat tussen hem en Hoftijzer een arbeidsovereenkomst geldt. Daarnaast wil [verzoeker] dat de opzegging wordt vernietigd, dat hij weer aan het werk mag en dat Hoftijzer het salaris doorbetaalt. Hoftijzer vindt dat alle verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen. Als de verklaring voor recht wordt toegewezen en de opzegging wordt vernietigd, vraagt Hoftijzer de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden. [verzoeker] is het daar op zijn beurt niet mee eens. Als de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt hij om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De uitkomst van de zaak 2.2. De belangrijkste vraag in deze zaak is of er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Hoftijzer. [verzoeker] legt namelijk aan zijn verzoek om de opzegging te vernietigen (en de daaraan verbonden verzoeken) ten grondslag dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen hem en Hoftijzer. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is. Hierna wordt dat uitgelegd. Wanneer is er sprake van een arbeidsovereenkomst? 2.3. Voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet eerst worden vastgesteld of partijen rechten en plichten zijn overeengekomen die voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 BW). Dat wil zeggen of sprake is van de verplichting om gedurende zekere tijd in dienst van de werkgever arbeid te verrichten tegen betaling van loon. Of de overeenkomst voldoet aan dat criterium hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Daarbij is niet van belang of de partijen de bedoeling hadden om de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Tegen deze achtergrond overweegt de kantonrechter het volgende. Er is geen sprake van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Hoftijzer - 2.4. Vaststaat dat [verzoeker] vanaf 2 april 2024 werkzaamheden heeft verricht op meerdere projecten van Hoftijzer. Voor die tijd heeft [verzoeker] op meerdere projecten in opdracht van LeVel V.O.F. (hierna: Level ) gewerkt. Via Level is hij terecht gekomen op het project van Hoftijzer. Op 25 maart 2024, kort voordat [verzoeker] met zijn werkzaamheden op het project van Hoftijzer begon, heeft [verzoeker] een aannemingsovereenkomst gesloten met Level . In deze overeenkomst zijn [verzoeker] en Level onder andere een uurtarief van € 37,00 per uur exclusief btw overeengekomen. Met Hoftijzer is geen (schriftelijke) overeenkomst gesloten, althans daarvan is niet gebleken. 2.5. [verzoeker] heeft weliswaar een ‘Intekenformulier nieuw personeel [verzoeker] ’ ingevuld voor Hoftijzer, maar dit is naar het oordeel van de kantonrechter niet te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst. Het intekenformulier omvat alleen enkele algemene gegevens van [verzoeker] (naam, adres, geboortedatum etc.) en de diploma’s waarover hij beschikt. Daarnaast volgt uit het intekenformulier dat het bedrijfsreglement, de instructie uren-direct en de PBM’s tas zijn verstrekt. De essentialia van een arbeidsovereenkomst, zoals het loon, de aanvangsdatum, de duur van het dienstverband en het aantal werkuren etc., zijn hierin in ieder geval niet vermeld. Het enkele feit dat bij de vraag ‘In dienst van Hoftijzer Vastgoedonderhoud’ het antwoord ‘Ja’ is ingevuld, betekent niet dat daaruit de conclusie moet worden getrokken dat er sprake is van een dienstverband tussen Hoftijzer en [verzoeker] . Volgens Hoftijzer moest het intekenformulier enkel worden ingevuld, zodat [verzoeker] een account kon krijgen voor het registreren van zijn uren en is de hiervoor genoemde vraag per ongeluk fout beantwoord. 2.6. De gewerkte uren heeft [verzoeker] via het account van Hoftijzer geregistreerd en deze zijn door Hoftijzer goedgekeurd. De gewerkte uren heeft [verzoeker] vervolgens, zoals afgesproken met Level , gefactureerd aan Level en Level heeft op haar beurt de ingediende facturen aan [verzoeker] uitbetaald. 2.7. Daarnaast werd verlof door [verzoeker] gemeld bij Level en niet bij Hoftijzer. Of [verzoeker] kon volstaan met een melding bij Level of dat daarbij een toelichting werd verlangd, kan in dit verband in het midden blijven aangezien [verzoeker] zijn afwezigheid in ieder geval niet bij Hoftijzer heeft gemeld. 2.8. [verzoeker] heeft tevens gesteld dat ervan uitgegaan moet worden dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst met Hoftijzer gewerkt heeft, omdat hij verplicht was werkkleding van Hoftijzer te dragen en hij bij de uitvoer van zijn schilderwerkzaamheden materialen van Hoftijzer gebruikte. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter echter onvoldoende om te kunnen aannemen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Hoftijzer. Dat hij de werkkleding van Hoftijzer droeg, heeft volgens Hoftijzer te maken met de veiligheid, zichtbaarheid en de regels die gelden op de werkplaats. Omdat er meerdere (onder)aannemers werkzaam zijn op de projecten van Hoftijzer, worden zij allen geacht de werkkleding van Hoftijzer te dragen. Ook de omstandigheid dat gebruik gemaakt werd van materialen van Hoftijzer rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van een arbeidsovereenkomst met Hoftijzer. Hoftijzer zal daarover ongetwijfeld afspraken hebben gemaakt met Level als hoofdaannemer. 2.9. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat tussen [verzoeker] en Hoftijzer geen rechten en verplichtingen zijn overeengekomen die voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. De verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen. De vraag hoe de aannemingsovereenkomst die [verzoeker] op 25 maart 2025 gesloten heeft gekwalificeerd moet worden en de vraag of die overeenkomst mogelijk een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW is, kan in het kader van deze procedure verder in het midden blijven, aangezien de procedure niet is gericht tegen Level .