Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-05
ECLI:NL:RBROT:2025:13018
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,585 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 83-277270-23
Datum uitspraak: 5 november 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:
[medeverdachte rechtspersoon] ,
gevestigd op het adres:
[vestigingsadres] , [postcode] [vestigingsplaats] ,
in deze procedure vertegenwoordigd door haar bestuurder, [persoon A] ,
raadsman mr. L.L. Maassen, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 oktober 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. S.J. Wirken heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 75.000,-.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak feit 1 en 2
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen en het gebruik maken van valse geschriften.
4.1.2.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de verboden gedraging in redelijkheid aan haar kan worden toegerekend.
De verboden gedragingen zijn in dit geval het witwassen van illegaal gewonnen zand en het gebruik maken van valse Behandelingscertificaten en Uitlossingsbewijzen. Deze verboden gedragingen rekent de rechtbank niet toe aan [medeverdachte rechtspersoon] . Hoewel het winnen van zand en het (laten) opstellen van Behandelingscertificaten en Uitlossingsbewijzen normale bedrijfsactiviteiten waren voor [medeverdachte rechtspersoon] , is er geen bewijs dat buiten redelijke twijfel stelt dat [medeverdachte rechtspersoon] heeft aanvaard dat dit gebeurde op illegale wijze. [medeverdachte rechtspersoon] mocht erop vertrouwen dat het zand op legale wijze in [naam] werd gewonnen, waarvoor zij belastingrechten betaalde, en dat de documenten naar waarheid ‘ [naam] ’ vermeldden als locatie van de zandwinning. Zo is er geen bewijs waaruit volgt dat [medeverdachte rechtspersoon] is geïnformeerd over de illegale wijze van zand winnen noch bewijs dat [medeverdachte rechtspersoon] bekend was met vergelijkbaar gedrag in het verleden. [medeverdachte rechtspersoon] stelt ook onweersproken dat zij geen voordeel heeft gehad van de illegale zandwinning (en van de valse documenten). Hiervan is ook niet gebleken. De verboden gedraging is haar niet dienstig geweest. Onder die omstandigheden en het gegeven dat er meer dan 30 schepen voeren voor [medeverdachte rechtspersoon] , rustte op haar in de tenlastegelegde periode ook geen concrete plicht om de herkomst van het zand te controleren. Het niet controleren onderbouwt evenmin dat de verboden gedraging redelijkerwijs aan [medeverdachte rechtspersoon] is toe te rekenen.
Dit betekent dat niet is bewezen dat [medeverdachte rechtspersoon] de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde gedragingen heeft begaan.
5Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. van den Heuvel, voorzitter,
en mrs. J.J. Klomp en I. Tillema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
zij in 2017 en januari 2018 in Papendrecht en elders in Nederland meermalen,
in de uitoefening van haar bedrijf, te weten een zandhandel, van een voorwerp, te weten zand, de werkelijke aard, de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/ of verhuld, en/of dat zand heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van dat zand gebruik heeft gemaakt, terwijl zij telkens wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dat zand - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, terwijl zij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
2.
zij in 2017 en januari 2018 in Papendrecht en elders in Nederland
meermalen
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse geschriften bestemd om tot
bewijs van enig feit te dienen,
te weten de Behandelingscertificaten/Uitlossingsbewijzen met de nummers
[nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5A] , [nummer 5B] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] , [nummer 10] , [nummer 11] ,
[nummer 12] , [nummer 13] , [nummer 14] , [nummer 15] , [nummer 16] , [nummer 17] , [nummer 18] , [nummer 19] , [nummer 20] , [nummer 21] , [nummer 22] , [nummer 23] ,
[nummer 24] , [nummer 25] [zie hiervoor de pagina's 134 tot en met 158, 188, 191, 194, 197, 202, 206
en 209 van het proces-verbaal],
als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken telkens uit het verstrekken van het Behandelingscertificaat/Uitlossingsbewijs aan de ontvanger van door haar geleverd zand en bestaande de valsheid telkens hierin dat in strijd met de waarheid op het Behandelingscertificaat/Uitlossingsbewijs als laadplaats/winlocatie [naam] vermeld stond.