Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-10-03
ECLI:NL:RBROT:2025:12287
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,750 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 3 oktober 2025
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 21 augustus 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 22 augustus 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 29 september 2025.
Ter zitting van 29 september 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
de heer mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker.
[naam], werkzaam bij Flanderijn, heeft namens Stichting Woonbron (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. Verweerster heeft in haar verweerschrift tevens aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wenst een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij JAW advocaten en bij Zuidweg & Partners. Verzoeker heeft een eigen onderneming. Hij heeft op dit moment één opdrachtgever, waar hij elke dag kan werken. Daarmee heeft hij voldoende inkomsten om zijn huurtermijnen te voldoen. Zo volgt uit de overgelegde facturen. Verder heeft verzoeker de huur van de maanden juni 2025 tot en met september 2025 voldaan. Dit volgt ook uit productie 1 van het verweerschrift, aldus de advocaat van verzoeker.
3Het verweer
Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Verzoeker vertoont een zeer wisselvallig betalingspatroon. Ook is hij een eerdere afbetalingsregeling niet nagekomen. De betalingsproblemen lijken samen te vallen met het ondernemerschap van verzoeker. Hij is namelijk ZZP’er per 1 januari 2023 en de huurachterstand lijkt ook rond die datum te zijn ontstaan. Verzoeker heeft bovendien geen budgetplan overgelegd, waaruit de inkomsten en uitgaven blijken. Verweerster heeft er geen vertrouwen in dat verzoeker de maandelijkse huurtermijnen in de toekomst tijdig en volledig zal (blijven) betalen.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 6 augustus 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 27 augustus 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft de huur van de maanden juni 2025 tot en met september 2025 voldaan. Verder werkt verzoeker op dit moment als ZZP’er. Hij heeft als ZZP’er voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen, zo blijkt uit de overgelegde facturen en de verklaringen van verzoeker en zijn advocaat ter zitting. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 3 juni 2024 opgemaakte proces-verbaal van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
22 augustus 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.