Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-10-02
ECLI:NL:RBROT:2025:12113
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,697 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 2 oktober 2025
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 20 augustus 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 20 augustus 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 25 september 2025.
Ter zitting van 25 september 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
de heer J.A. van Es, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
[naam] , namens Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker gaat met ingang van 1 oktober 2025 in loondienst bij QBuzz voor 40 uur per week. Hij zal daar maandelijks € 3.220,48 bruto gaan verdienen. Dit inkomen is voldoende om maandelijks de huur van € 679,27 te voldoen. De huur voor september is betaald op
9 september 2025 en verzoeker heeft verklaard dat hij voldoende geld op zijn rekening heeft staan om direct de huur voor oktober te voldoen, zodat de huur voor oktober tijdig zal worden betaald. Schuldhulpverlening heeft desgevraagd verklaard dat eerst budgetbeheer zal worden opgestart, dat verzoeker zal worden aangemeld voor een training waarbij hij moet leren met geld om te gaan en mocht daaruit volgen dat beschermingsbewind wenselijk is, dan zal dit met verzoeker besproken worden.
3Het verweer
Verweerster heeft ter zitting opgemerkt dat verzoeker ook in 2020 al een schuldsaneringstraject heeft gevolgd en dat destijds sprake was van beschermingsbewind. Verweerster was met name geïnteresseerd of verzoeker bereid was eventueel onder beschermingsbewind te gaan. Verweerster heeft verder geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het moratoriumverzoek.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 29 juli 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 18 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 15 juli 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huur bedraagt € 679,27 en verzoeker gaat per 1 oktober 2025 in loondienst bij Qbuzz waar hij een maandelijks salaris van € 3.220,48 bruto zal verdienen. Dit is voldoende om maandelijks de huur van te kunnen betalen. De huur voor de maand september 2025 is, weliswaar te laat, betaald. Verzoeker heeft ter zitting toegezegd de huur voor oktober tijdig te voldoen. Budgetbeheer zal worden opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 15 juli 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 20 augustus 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2025.