Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-10-01
ECLI:NL:RBROT:2025:12110
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,671 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 1 oktober 2025
[verzoekster]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 4 april 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter zitting van 24 september 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw P.S. Kootstra, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
mevrouw M. Kalaf, jongerencoach.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Feiten
Verzoekster ontvangt inkomsten uit studiefinanciering en toeslagen van de Belastingdienst«arbeid/WWB-uitkering». Verzoekster is in september 2025 begonnen met een eenjarige MBO-opleiding Helpende Zorg en Welzijn. Als verzoekster deze opleiding heeft afgerond, wil zij nog een vervolgopleiding gaan doen. Verzoekster verricht geen betaald werk. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 20.126,59.
Beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is. Het verzoek wordt daarom afgewezen, wat inhoudt dat verzoekster niet wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank licht dat hieronder toe.
Goede trouw
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Schulden aan het CJIB
Verzoekster heeft in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop dit verzoekschrift is ingediend schulden gemaakt bij het CJIB van in totaal € 6.118,68. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat deze schulden betrekking hebben op verkeersboetes. Een groot deel van de boetes is ontstaan doordat de ex-partner van verzoekster gebruik heeft gemaakt van haar auto. Verzoekster heeft ter zitting ook verklaard dat een aantal boetes door haar toedoen zijn ontstaan onder andere omdat verzoekster in het verleden heeft gereden zonder rijbewijs. Verzoekster is nog steeds eigenaar van de auto. De rechtbank acht de kans aanwezig dat nieuwe CJIB-schulden zullen ontstaan. De schuld aan het CJIB is naar haar aard niet te goeder trouw ontstaan en staat toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.
Geen wending ten goede
Feiten
Nakoming verplichtingen
Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoekster de uit de schuldsanerings-regeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De verplichtingen waaraan verzoekster tijdens de schuldsaneringsregeling moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting. De rechtbank oordeelt dat in het voorliggende geval niet aannemelijk is dat verzoekster aan die verplichtingen zal voldoen. Verzoekster is in september 2025 met een eenjarige opleiding Helpende Zorg en Welzijn begonnen en wil, nadat zij deze opleiding heeft afgerond, nog een vervolgopleiding gaan volgen. Gedurende de tijd dat verzoekster een opleiding volgt, kan zij niet aan haar sollicitatieverplichting/arbeidsverplichting te voldoen. Het volgen van een dergelijke opleiding verdraagt zich niet met het uitgangspunt dat verzoekster de verplichting heeft om zich gedurende achttien maanden tot het uiterste in te spannen om zoveel mogelijk geld te verdienen voor haar schuldeisers. Daarnaast bestaan de inkomsten van verzoekster naast studiefinanciering en toeslagen ook uit een maandelijkse lening van DUO, waardoor ook niet voldaan kan worden aan de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Gelet hierop ziet de rechtbank ook geen aanleiding om verzoekster op dit moment toe te laten tot de regeling en daarbij – vanwege de opleiding die verzoekster volgt – de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen.
Afwijzing verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
De rechtbank merkt daarbij wel op dat deze afwijzing niet in de weg hoeft te staan aan een toekomstig nieuw verzoek. Verzoekster kan zichzelf (verder) stabiliseren. Als verzoekster aantoont dat zij kan voldoen aan haar inspanningsverplichting en geen nieuwe schulden meer heeft gemaakt, zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.