Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-08
ECLI:NL:RBROT:2025:11784
Bestuursrecht
Wraking
2,273 tokens
Dictum
RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/695603 / HA RK 25-210
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster, vertegenwoordigd door: [persoon A]
strekkende tot de wraking van
mr. A.C. Rop,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de bestuurszaak met nummer ROT 24/5690. Die zaak betreft een geschil tussen verzoekster en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (verweerder). Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het schriftelijke wrakingsverzoek van 3 maart 2025;
de schriftelijke reactie van de rechter van 26 maart 2025.
1.3.
Op 24 april 2025 is het wrakingsverzoek op een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was [persoon A] namens verzoekster aanwezig. De rechter heeft vooraf laten weten verhinderd te zijn en niet te zullen verschijnen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
In het verzoekschrift tot wraking staat het volgende:
"Wij constateren dat u zonder aanleiding twee weken heeft gewacht met het vermelden van de ontvangst van stukken, en het verzoek tot geheimhouding, tot na de wettelijke sluitingstermijn. Daarmee schendt u wederom het procesrecht en het EVRM inzake onze toegang tot de rechtspraak.
Het betreft hier stukken waarop een reactie onzerzijds, inclusief stukken, gewenst is. Dat heeft u op deze manier onmogelijk gemaakt."
2.2.
Tijdens de zitting heeft verzoekster hieraan het volgende toegevoegd:
De rechter spreekt in zijn schriftelijke reactie over de [naam stichting] . Dit is echter een andere partij, namelijk de [naam stichting] . Dat de rechter deze partijen door
elkaar haalt getuigt ook van vooringenomenheid.
Het is niet de eerste keer dat de rechter stukken te laat doorstuurt. Er is eerder een verweerschrift te laat doorgestuurd aan verzoekster.
2.3.
Verder heeft verzoekster op de zitting het verzoek gedaan om de bestuurszaak te verwijzen naar een andere rechtbank. Dit verzoek heeft zij als volgt gemotiveerd. Verzoekster en/of [persoon A] heeft/hebben 150 procedures (gehad) bij de rechtbank Rotterdam. Een deel van deze procedures is behandeld door rechters van buiten de rechtbank Rotterdam en die hebben verzoekster en [persoon A] allemaal gewonnen of de zaken zijn doorgezonden om in het kader van mediation te worden opgelost. De procedures die werden behandeld door rechters van de rechtbank Rotterdam zijn echter allemaal verloren. Daarnaast is er in eerdere procedures ook al veel verkeerd gegaan, zo zijn er onder meer dossiers kwijtgeraakt, is [persoon A] uitgescholden door rechters en mishandeld door (griffie)medewerkers van de rechtbank. Hieruit kan worden afgeleid dat de vooringenomenheid niet slechts beperkt is tot de rechter, maar zich uitstrekt tot de gehele rechtbank Rotterdam.
Beoordeling
3.1.
De wrakingskamer begrijpt dat verzoekster in haar wrakingsverzoek doelt op een brief van de rechtbank in de bestuurszaak van 26 februari 2025. In die brief staat dat de rechtbank een verzoek tot geheimhouding heeft ontvangen, dat een kopie daarvan is bijgesloten en dat verzoeker daar uiterlijk 3 maart 2025 op kan reageren. De rechter heeft in zijn reactie aangegeven dat het betreffende verzoek om geheimhouding door verweerder bij brief van 12 februari 2025 aan de rechtbank is gestuurd en inderdaad pas op 26 februari 2025 aan verzoeker is gestuurd, terwijl de zitting al op 7 maart 2025 zou zijn. Hierdoor had verzoekster een te korte termijn om te reageren op het verzoek om geheimhouding, aldus de rechter.
De wrakingskamer gaat er ook van uit dat het verzoek om geheimhouding te laat is doorgestuurd. Dit kan echter niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden vanwege het navolgende.
3.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.3.
De omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
3.4.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van
verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend. De wrakingskamer is van oordeel dat een objectieve vrees voor vooringenomenheid van de rechter niet gerechtvaardigd is. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.5.
De rechter is niet betrokken geweest bij het verzenden van het verzoek om geheimhouding. Dit betreft immers een louter administratieve handeling. Het feit dat de brief te laat is verzonden en verzoekster daardoor onvoldoende tijd had om nog voor de zitting hierop te reageren, geeft daarom geen blijk van (een schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Bovendien had verzoekster kunnen verzoeken om uitstel van de zitting. Dat heeft zij niet gedaan, zodat de rechter niet in de gelegenheid was om daarover te beslissen.
3.6.
De wrakingskamer ziet evenmin grond voor het oordeel dat sprake is van enige vooringenomenheid vanwege het enkele feit dat de rechter in zijn reactie op het wrakingsverzoek spreekt over "de stichting" en daarmee verzoeker en een derde partij door elkaar haalt. Dit kan niet anders worden gezien dan als een kennelijke vergissing.
3.7.
In het wrakingsverzoek stelt verzoeker dat de rechter "wederom" het procesrecht schendt. Daarmee doelt hij op een eerder wrakingsverzoek tegen de rechter. Dat wrakingsverzoek is bij uitspraak van 15 juli 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:7401) afgewezen. Dit kan in de onderhavige bestuurszaak dus geen aanleiding geven voor een geslaagde wraking.
3.8.
De stelling dat de rechter ook eerder een verweerschrift niet of te laat heeft doorgestuurd, kan evenmin leiden tot een geslaagde wraking. Deze grond is te laat aangevoerd en kan bovendien niet tot toewijzing van het verzoek leiden. Voor zover verzoekster hiermee heeft willen zeggen dat het verweerschrift in de bestuurszaak niet of niet tijdig is doorgestuurd, stelt de wrakingskamer vast dat uit het dossier blijkt dat dit stuk op 13 februari 2025, één dag na ontvangst door de rechtbank, naar haar is doorgestuurd. Dat dit te laat was is niet gebleken. Bovendien kan ervan worden uit gegaan dat ook dit een administratieve kwestie was, waar de rechter niet bij betrokken was.
3.9.
De wrakingskamer komt niet toe aan het ter zitting door verzoekster gedane verzoek om zijn beroepsprocedure te verwijzen naar een andere rechtbank. Verzoekster heeft immers louter de rechter gewraakt en niet de hele rechtbank Rotterdam. Het is overigens de vraag of een verwijzing naar een andere rechtbank tot de mogelijkheden van de wrakingskamer behoort. De wrakingskamer zal wat verzoekster verder nog heeft aangevoerd over de behandeling van andere zaken bij de rechtbank Rotterdam verder buiten beschouwing laten, omdat ook dit niet ziet op het handelen van de rechter.
3.10.
Gelet op het vorenstaande wordt het wrakingsverzoek afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Fiege, voorzitter, mr. W.J.M. Diekman en mr. A. Lablans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Tijssen, griffier en in het
openbaar uitgesproken op 8 mei 2025.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.