Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-10-10
ECLI:NL:RBROT:2025:11718
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,826 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/6931
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Scherpenzeel, eiseres
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans: De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Peters van Neijenhof).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de bestuurlijke boete die verweerder met het besluit van 5 april 2024 (het boetebesluit) aan eiseres heeft opgelegd vanwege een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met die boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder heeft bewezen dat eiseres de overtreding heeft gepleegd en dat deze overtreding haar kan worden verweten. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.
2.1.
Bij het boetebesluit heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 3.000,-. Met het bestreden besluit van 20 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2025 op zitting behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 1] , inspecteur bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Eiseres en haar gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 11 februari 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA (het rapport). In het rapport staat onder meer het volgende:
“Bevindingen:
Datum en tijdstip van de bevindingen: 15 januari 2024, omstreeks 6.30 uur.
Ik heb in het bedrijf aangesproken en ben met naam en functie bekend bij [naam 2] , chauffeur.
Tijdens mijn inspectie bevond ik mij op de losplaats voor varkens. Ik zag daar dat vier slachtvarkens met UBN [nummer 1] en individuele ID nummers [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] (zie foto's 1 t/m 4) met een open wond aan de onderkant van een meer dan 20 centimeter grote navelbreuk werden gelost. Bij varkens [nummer 3] en [nummer 5] betrof het grote breuken, die bij het recht staande varken slecht enkele centimeters van de bodem was verwijderd. De breuken van deze varkens waren meer bloederig dan de kleinere breuken, wat goed mogelijk is doordat bij de grote breuken beschadiging van de huid en onderliggend weefsel door contact met de bodem of op de breuk trappen gemakkelijk optreedt. Bij alle breuken is er minstens een zweer met verdikte wondranden en granulatie te zien, wat voor mij betekent dat de wonden al voor het transport, dat 4,5 uren eerder was begonnen (zie Vervoersdocument Varkens/Zeugen, laaddatum 15-01-2024, begintijd 2.00 uur), aanwezig waren, omdat het minstens een dag duurt voordat er granulatieweefsel ontstaat.
Bij de breuken van varkens [nummer 2] en [nummer 4] was bij de zweren sprake van kratervorming, dat duidt op het veel eerder dan bij de aanvang van het transport aanwezig zijn van de wonden, omdat er diepe huidloze delen van de wonden zijn, waar wel granulatie te zien is, maar geen ontsteking meer. De ontsteking is er dan al eerder geweest. Dit wijst er op dat het proces minstens 4 dagen oud is. Het geeft ook een verhoogde kans op het geïnfecteerd raken en onnodig lijden van de varkens.
De ernst van de open wonden bleek mij uit de grootte van de wonden. Bij varken [nummer 3] was de grootte van de wond ongeveer 40 vierkante centimeter en bij de andere 3 varkens was de grootte van de wond ongeveer 60 tot 80 vierkante centimeter. Volgens "Praktische richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor het vervoer van varkens" (onderaan pagina 26) zijn deze varkens niet geschikt voor transport, worden de navelbreuken als ernstig beschouwd (pagina 25) en is het algemeen welzijn van de varkens aangetast (pagina 26). […]
De transporteur vervoerde dieren die niet vérvoerd hadden mogen worden, omdat zij niet geschikt waren voor het (voorgenomen) transport. De dieren waren niet geschikt voor het (voorgenomen) transport, omdat de dieren een ernstige open wond vertoonden. […]”
4. Op grond van het rapport heeft verweerder vastgesteld dat eiseres als vervoerder vier varkens vervoerde die niet geschikt waren voor het voorgenomen transport, omdat de varkens een ernstige open wond vertoonden. Dit betreft een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, en de artikelen 3, 3 onder b en 6, derde lid, en bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2, aanhef en onder b, van de Transportverordening. Daarvoor heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 3.000,-. Verweerder heeft het standaardboetebedrag op grond van artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verdubbeld omdat de gevolgen volgens verweerder ernstig zijn omdat het hier gaat om het vervoeren van vier niet transportwaardige dieren. Beoordeling door de rechtbank
5. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte van horen heeft afgezien slaagt niet. De gemachtigde van eiseres is in het e-mailbericht van 27 mei 2024 gevraagd om uiterlijk 10 juni 2024 aan te geven of eiseres gehoord wenste te worden en aanvullende gronden in te dienen. Namens de gemachtigde van eiseres heeft zijn kantoorgenoot bij e-mail van 30 mei 2024 aanvullende gronden ingediend zonder daarbij aan te geven dat eiseres gehoord wenste te worden. Voor zover eiseres betoogt dat deze keuze afhankelijk was van het toesturen van de bij het rapport behorende kleurenfoto’s, heeft zij dat niet expliciet vermeld in haar e-mail van 30 mei 2024. Ten aanzien van de opmerking in de email van 30 mei 2024 dat eiseres zich het recht voorbehoudt de gronden aan te vullen naar aanleiding van door verweerder toe te zenden completerende dossierstukken, heeft de rechtbank ter zitting vastgesteld dat verweerder bij e-mailbericht van 13 mei 2024 onder meer het rapport van bevindingen inclusief de daarbij behorende kleurenfoto’s aan de gemachtigde van eiseres heeft toegezonden. Eiseres was dus reeds in het bezit van de foto’s. Nu eiseres niet binnen de door verweerder gestelde termijn heeft verklaard dat zij gehoord wenst te worden, kon op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht van horen worden afgezien.
6. Eiseres betwist dat zij de verweten overtreding heeft begaan. Zij wijst erop dat de toezichthouder heeft vastgesteld dat van een ontsteking geen sprake was en dat het gestelde proces al minimaal vier dagen oud was. Dit zorgt ervoor dat de dieren geschikt waren voor het vervoer ten tijde van het laden van de dieren. Dat de toezichthouder na het uitladen constateert dat de dieren niet (meer) geschikt zouden zijn voor een nieuw transport doet daar niet aan af. Daarnaast betoogt eiseres dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding. De andere varkens mankeerden niets en er liep geen enkel dier mank en de betreffende varkens liepen hoogstwaarschijnlijk midden in de groep van 206 andere varkens. Daarbij hebben de agrarische leveranciers van de varkens de dieren kort voor transport ontsmet en gecontroleerd waarbij geen gebreken zichtbaar zijn geweest.
6.1.
Uit vaste jurisprudentie van het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBb) (onder meer de uitspraak van 30 november 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1027) volgt dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan.
6.2.
De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van het rapport van bevindingen te twijfelen. In het rapport is duidelijk en gedetailleerd beschreven wat de toezichthouder bij de varkens heeft waargenomen, namelijk dat vier varkens een open wond hadden aan de onderkant van een grote navelbreuk. De toezichthouder heeft deze wonden, gelet op de grootte daarvan, gekwalificeerd als grote ernstige wonden. Ook zijn bij het rapport foto’s gevoegd waarop duidelijk uitstulpingen zijn te zien met open wonden. De enkele stelling dat de chauffeur die de varkens heeft geladen niets heeft waargenomen biedt onvoldoende grond voor twijfel aan de bevindingen van de toezichthouder.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestuurlijke boete van € 3.000,- in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. N.S.J. Letschert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG.
De boete die eiseres bij het boetebesluit is opgelegd heeft kenmerk 202400393, terwijl het dwangbevel ziet op een boete met zaaknummer 202301124.
Dit volgt onder meer uit de artikelen 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, 4:112, 4:113, 4:114 en 4:123 van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/6931
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Scherpenzeel, eiseres
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans: De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Peters van Neijenhof).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de bestuurlijke boete die verweerder met het besluit van 5 april 2024 (het boetebesluit) aan eiseres heeft opgelegd vanwege een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met die boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder heeft bewezen dat eiseres de overtreding heeft gepleegd en dat deze overtreding haar kan worden verweten. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.
2.1.
Bij het boetebesluit heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 3.000,-. Met het bestreden besluit van 20 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2025 op zitting behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 1] , inspecteur bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Eiseres en haar gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 11 februari 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA (het rapport). In het rapport staat onder meer het volgende:
“Bevindingen:
Datum en tijdstip van de bevindingen: 15 januari 2024, omstreeks 6.30 uur.
Ik heb in het bedrijf aangesproken en ben met naam en functie bekend bij [naam 2] , chauffeur.
Tijdens mijn inspectie bevond ik mij op de losplaats voor varkens. Ik zag daar dat vier slachtvarkens met UBN [nummer 1] en individuele ID nummers [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] (zie foto's 1 t/m 4) met een open wond aan de onderkant van een meer dan 20 centimeter grote navelbreuk werden gelost. Bij varkens [nummer 3] en [nummer 5] betrof het grote breuken, die bij het recht staande varken slecht enkele centimeters van de bodem was verwijderd. De breuken van deze varkens waren meer bloederig dan de kleinere breuken, wat goed mogelijk is doordat bij de grote breuken beschadiging van de huid en onderliggend weefsel door contact met de bodem of op de breuk trappen gemakkelijk optreedt. Bij alle breuken is er minstens een zweer met verdikte wondranden en granulatie te zien, wat voor mij betekent dat de wonden al voor het transport, dat 4,5 uren eerder was begonnen (zie Vervoersdocument Varkens/Zeugen, laaddatum 15-01-2024, begintijd 2.00 uur), aanwezig waren, omdat het minstens een dag duurt voordat er granulatieweefsel ontstaat.
Bij de breuken van varkens [nummer 2] en [nummer 4] was bij de zweren sprake van kratervorming, dat duidt op het veel eerder dan bij de aanvang van het transport aanwezig zijn van de wonden, omdat er diepe huidloze delen van de wonden zijn, waar wel granulatie te zien is, maar geen ontsteking meer. De ontsteking is er dan al eerder geweest. Dit wijst er op dat het proces minstens 4 dagen oud is. Het geeft ook een verhoogde kans op het geïnfecteerd raken en onnodig lijden van de varkens.
De ernst van de open wonden bleek mij uit de grootte van de wonden. Bij varken [nummer 3] was de grootte van de wond ongeveer 40 vierkante centimeter en bij de andere 3 varkens was de grootte van de wond ongeveer 60 tot 80 vierkante centimeter. Volgens "Praktische richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor het vervoer van varkens" (onderaan pagina 26) zijn deze varkens niet geschikt voor transport, worden de navelbreuken als ernstig beschouwd (pagina 25) en is het algemeen welzijn van de varkens aangetast (pagina 26). […]
De transporteur vervoerde dieren die niet vérvoerd hadden mogen worden, omdat zij niet geschikt waren voor het (voorgenomen) transport. De dieren waren niet geschikt voor het (voorgenomen) transport, omdat de dieren een ernstige open wond vertoonden. […]”
4. Op grond van het rapport heeft verweerder vastgesteld dat eiseres als vervoerder vier varkens vervoerde die niet geschikt waren voor het voorgenomen transport, omdat de varkens een ernstige open wond vertoonden. Dit betreft een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, en de artikelen 3, 3 onder b en 6, derde lid, en bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2, aanhef en onder b, van de Transportverordening. Daarvoor heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 3.000,-. Verweerder heeft het standaardboetebedrag op grond van artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verdubbeld omdat de gevolgen volgens verweerder ernstig zijn omdat het hier gaat om het vervoeren van vier niet transportwaardige dieren. Beoordeling door de rechtbank
5. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte van horen heeft afgezien slaagt niet. De gemachtigde van eiseres is in het e-mailbericht van 27 mei 2024 gevraagd om uiterlijk 10 juni 2024 aan te geven of eiseres gehoord wenste te worden en aanvullende gronden in te dienen. Namens de gemachtigde van eiseres heeft zijn kantoorgenoot bij e-mail van 30 mei 2024 aanvullende gronden ingediend zonder daarbij aan te geven dat eiseres gehoord wenste te worden. Voor zover eiseres betoogt dat deze keuze afhankelijk was van het toesturen van de bij het rapport behorende kleurenfoto’s, heeft zij dat niet expliciet vermeld in haar e-mail van 30 mei 2024. Ten aanzien van de opmerking in de email van 30 mei 2024 dat eiseres zich het recht voorbehoudt de gronden aan te vullen naar aanleiding van door verweerder toe te zenden completerende dossierstukken, heeft de rechtbank ter zitting vastgesteld dat verweerder bij e-mailbericht van 13 mei 2024 onder meer het rapport van bevindingen inclusief de daarbij behorende kleurenfoto’s aan de gemachtigde van eiseres heeft toegezonden. Eiseres was dus reeds in het bezit van de foto’s. Nu eiseres niet binnen de door verweerder gestelde termijn heeft verklaard dat zij gehoord wenst te worden, kon op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht van horen worden afgezien.
6. Eiseres betwist dat zij de verweten overtreding heeft begaan. Zij wijst erop dat de toezichthouder heeft vastgesteld dat van een ontsteking geen sprake was en dat het gestelde proces al minimaal vier dagen oud was. Dit zorgt ervoor dat de dieren geschikt waren voor het vervoer ten tijde van het laden van de dieren. Dat de toezichthouder na het uitladen constateert dat de dieren niet (meer) geschikt zouden zijn voor een nieuw transport doet daar niet aan af. Daarnaast betoogt eiseres dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding. De andere varkens mankeerden niets en er liep geen enkel dier mank en de betreffende varkens liepen hoogstwaarschijnlijk midden in de groep van 206 andere varkens. Daarbij hebben de agrarische leveranciers van de varkens de dieren kort voor transport ontsmet en gecontroleerd waarbij geen gebreken zichtbaar zijn geweest.
6.1.
Uit vaste jurisprudentie van het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBb) (onder meer de uitspraak van 30 november 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1027) volgt dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan.
6.2.
De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van het rapport van bevindingen te twijfelen. In het rapport is duidelijk en gedetailleerd beschreven wat de toezichthouder bij de varkens heeft waargenomen, namelijk dat vier varkens een open wond hadden aan de onderkant van een grote navelbreuk. De toezichthouder heeft deze wonden, gelet op de grootte daarvan, gekwalificeerd als grote ernstige wonden. Ook zijn bij het rapport foto’s gevoegd waarop duidelijk uitstulpingen zijn te zien met open wonden. De enkele stelling dat de chauffeur die de varkens heeft geladen niets heeft waargenomen biedt onvoldoende grond voor twijfel aan de bevindingen van de toezichthouder.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestuurlijke boete van € 3.000,- in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. N.S.J. Letschert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG.
De boete die eiseres bij het boetebesluit is opgelegd heeft kenmerk 202400393, terwijl het dwangbevel ziet op een boete met zaaknummer 202301124.
Dit volgt onder meer uit de artikelen 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, 4:112, 4:113, 4:114 en 4:123 van de Awb.