Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-20
ECLI:NL:RBROT:2025:11600
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,783 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
weigering tussentijdse beëindiging en wijziging termijn
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 20 maart 2025
Bij vonnis van deze rechtbank van 8 december 2023 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[schuldenaar] ,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
schuldenaar,
bewindvoerder: M. Klarenbeek.
Procesverloop
De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 24 januari 2025 met dit verzoek ingestemd.
Bij bericht van 5 maart 2025 heeft de bewindvoerder de laatste stand van zaken aan de rechtbank toegezonden.
Ter zitting van 6 maart 2025 zijn verschenen en gehoord:
de heer [schuldenaar] , schuldenaar;
mevrouw [persoon A] , partner van schuldenaar;
mevrouw M.R. van den Heerik, beschermingsbewindvoerder;
de heer R.I. de Jong, bewindvoerder.
Bij bericht van 11 maart en 12 maart 2025 heeft de bewindvoerder een verlengingsvoorstel aan de rechtbank toegezonden.
De uitspraak is bepaald op heden.
2De standpunten
Standpunt bewindvoerder
De bewindvoerder heeft aan zijn voordracht tot tussentijdse beëindiging ten grondslag gelegd dat schuldenaar niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting. Schuldenaar heeft sinds mei 2024 een oproepcontract. Doordat er diverse loonstroken over de periode juni tot en met augustus 2024 ontbreken, heeft de bewindvoerder niet kunnen vaststellen hoeveel uur per week schuldenaar heeft gewerkt. Schuldenaar heeft over de periode januari tot en met december 2024 geen aanvullende sollicitaties overgelegd. In de maanden januari en februari 2025 heeft schuldenaar gedurende vier weken, verspreid over beide maanden, achtendertig uur per week gewerkt. De overige vier weken heeft schuldenaar minder uur per week gewerkt, respectievelijk veertien, drieëntwintig, drieëndertig en dertig uur.
Ook heeft de bewindvoerder aan zijn voordracht tot tussentijdse beëindiging ten grondslag gelegd dat er tot en met december 2024 sprake was van een boedelachterstand van € 13.256,27. Schuldenaar is in gemeenschap van goederen gehuwd. De partner van schuldenaar zit ook in de schuldsaneringsregeling. Zowel schuldenaar als zijn partner zijn derhalve volledig aansprakelijk voor de boedelachterstand. In januari 2025 is er een afdracht verricht van € 5.500,--, waardoor de boedelachterstand is teruggelopen naar € 7.756,27. Naar aanleiding van het inkomen van januari en februari 2025 en het VTLB per januari 2025 is de boedelachterstand opnieuw berekend. De bewindvoerder heeft te kennen gegeven dat er tot en met februari 2025 sprake is van een boedelachterstand van € 10.435,82.
Na de zitting heeft de bewindvoerder de tekortkoming in de inspanningsverplichting en de boedelachterstand exact vastgesteld. Bij bericht van 11 maart 2025 heeft de bewindvoerder laten weten dat schuldenaar in 2024 slechts 1201 uur heeft gewerkt, terwijl hij dit jaar 1872 uur had moeten werken. Verder heeft de bewindvoerder te kennen gegeven dat de gezamenlijke boedelachterstand thans € 7.467,53 bedraagt.
Standpunt beschermingsbewindvoerder
Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat aan het begin van de schuldsaneringsregeling een achterstand is ontstaan. Er was op dat moment nog geen sprake van beschermingsbewind. Op 18 april 2024 is het beschermingsbewind ingesteld, waarna is geprobeerd de achterstand in te lopen. Desondanks heeft dit een grote invloed gehad op de algehele achterstanden. De beschermingsbewindvoerder verwacht dat de boedelachterstand in zeven tot acht maanden kan worden ingelopen. Voorts heeft de beschermingsbewindvoerder ter zitting verklaard dat schuldenaar uitzicht heeft op een functie bij het bedrijf waar hij momenteel via een uitzendbureau werkzaam is. Schuldenaar kan daar het aantal uren maken dat vereist is voor de schuldsaneringsregeling.
Standpunt schuldenaar
Schuldenaar heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij sinds mei 2024 fulltime werkzaam is bij zijn huidige werkgever. Doordat het bedrijf in december 2024 twee weken gesloten was wegens de feestdagen, heeft schuldenaar in deze periode niet gewerkt. Ook heeft schuldenaar bepaalde vrije dagen niet doorbetaald gekregen. Daarentegen zijn er ook weken geweest waarin schuldenaar meer uren heeft gewerkt.
Beoordeling
Tekortkomingen
De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om aan het einde van de regeling een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 67.345,12 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen bovenmatige nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen.
De rechtbank oordeelt dat schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting en de afdrachtverplichting. Gebleken is dat schuldenaar 671 uur te weinig heeft gewerkt in 2024. Daarnaast is er sprake van een gezamenlijke boedelachterstand van € 7.467,53. Het voorgaande geeft in beginsel voldoende aanleiding voor een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Gelet op de door en namens schuldenaar aangevoerde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling thans een te zware sanctie is. Ter zitting is besproken om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen. Bij bericht van 11 maart en 12 maart 2025 heeft de bewindvoerder een verlengingsvoorstel aan de rechtbank toegestuurd.
Verlenging termijn schuldsaneringsregeling
Om schuldenaar in de gelegenheid te stellen de tekortkoming in de nakoming van de inspanningsverplichting te compenseren zal de termijn van de schuldsaneringsregeling worden verlengd met vijf maanden. Gedurende de verlenging van vijf maanden zullen alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen onverkort van kracht zijn. Ook zal de beschermingsbewindvoerder maandelijks een extra bedrag aflossen om de boedelachterstand in te lopen. Door schuldenaar is met deze verlenging ingestemd.
Gelet op de afloscapaciteit zal de boedelachterstand niet binnen de verlengingsperiode van vijf maanden kunnen worden voldaan. De beschermingsbewindvoerder heeft te kennen gegeven dat, zodra de reguliere afdrachtverplichting vervalt, schuldenaar en zijn partner maandelijks € 1.000,-- kunnen aflossen. Om schuldenaar de gelegenheid te geven de gezamenlijke boedelachterstand voor het einde van de regeling in te lossen, zal de termijn van de schuldsaneringsregeling met nog eens zeven maanden worden verlengd. Hoewel de boedelachterstand naar alle waarschijnlijk ruim binnen deze termijn kan worden ingelopen, houdt de rechtbank rekening met eventuele onvoorziene omstandigheden. Gedurende de verlenging van zeven maanden zal schuldenaar slechts de minimale boedelbijdrage (het bewindvoerdersalaris) verschuldigd zijn. De resterende afloscapaciteit dienen zij in te zetten voor het inlossen van de boedelachterstand. Verder zal de inspanningsverplichting niet van toepassing zijn en zal de informatieverplichting beperkt zijn tot het verstrekken van informatie omtrent het inlossen van de boedelachterstand. De verplichting om geen nieuwe schulden te maken zal gedurende de verlenging van zeven maanden onverkort van kracht zijn. De bewindvoerder heeft dit reeds met de beschermingsbewindvoerder besproken.
Kortom, de rechtbank zal de termijn van de schuldsaneringsregeling in totaal verlengen met twaalf maanden. De rechtbank merkt op dat, binnen de verlengingsperiode van de laatste zeven maanden, de bewindvoerder een verzoek tot afwikkeling van de regeling kan indienen zodra de boedelachterstand volledig is ingelopen.
Benadrukt wordt dat op grond van de wet (artikel 295 Faillissementswet) ook vermogensbestanddelen die schuldenaar tijdens de verlenging verkrijgt in de boedel vallen.
Door de rechtbank wordt aan schuldenaar thans een laatste kans geboden om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Alle uit de regeling voortvloeiende verplichtingen moeten in het vervolg door schuldenaar stipt worden nagekomen, om een (tussentijdse) beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei te voorkomen.
Dictum
De rechtbank:
- weigert de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen;
- wijzigt de termijn van de schuldsaneringsregeling, in die zin dat deze zesendertig maanden bedraagt en daarmee eindigt op 8 december 2026;
- bepaalt dat gedurende de eerste vijf maanden van de verlenging:
alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen onverkort van kracht blijven;
de beschermingsbewindvoerder maandelijks een extra bedrag zal aflossen om de boedelachterstand in te lopen.
- bepaalt dat gedurende de laatste zeven maanden van de verlenging:
de inspanningsverplichting niet van toepassing is;
de afdrachtverplichting beperkt is tot betaling van het bewindvoerdersalaris en dat de afloscapaciteit voor het overige kan worden ingezet voor het aflossen van de boedelachterstand van dat moment;
de informatieverplichting beperkt is tot het informeren over het inlossen van de boedelachterstand;
de verplichting om geen nieuwe schulden te maken onverkort van toepassing blijft.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.