Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-27
ECLI:NL:RBROT:2025:11583
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,864 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
[rekestnummer 1] – [rekestnummer 2]
uitspraakdatum: 27 maart 2025
in de zaak van:
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 15 november 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een aantal schuldeisers, te weten:
ABN AMRO (hierna: ABN AMRO) met twee vorderingen;
Belastingdienst Particulieren (hierna: Belastingdienst) met twee vorderingen;
[schuldeiser 3] , in behandeling bij Likifin (hierna: [schuldeiser 3] );
[schuldeiser 4] , in behandeling bij Nijstad & Toonen Gerechtsdeurwaarders (hierna: [schuldeiser 4] );
[schuldeiser 5] , in behandeling bij Puur Nouta Gerechtsdeurwaarders (hierna: [schuldeiser 5] );
[schuldeiser 6] B.V., in behandeling bij Likifin (hierna: [schuldeiser 6] );
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Nijstad & Toonen heeft namens [schuldeiser 4] voorafgaand aan de zitting, bij brief van 17 februari 2025, aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
Puur Nouta Gerechtsdeurwaarders heeft namens [schuldeiser 5] voorafgaand aan de zitting, bij brief van 3 maart 2025, aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
Geldplein Rotterdam heeft voorafgaand aan de zitting, bij e-mail van 4 maart 2025, aan de rechtbank te kennen gegeven dat de vordering van [schuldeiser 3] niet meer in behandeling is bij Likifin. Verder heeft Geldplein Rotterdam te kennen gegeven dat vanuit Likifin inzake de vordering van [schuldeiser 6] het verkeerde saldo aan hen was gecommuniceerd. Het openstaande bedrag bedraagt thans € 223,82.
Belastingdienst heeft voorafgaand aan de zitting, bij brief van 10 maart 2025, aan Geldplein Rotterdam te kennen gegeven voor beide vorderingen alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
Ter zitting van 20 maart 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw C. Borsten-Sneepels, werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift twintig schuldeisers, waarvan twee preferente en achttien concurrente schuldeisers met eenentwintig vorderingen. Uit het verzoekschrift blijkt dat deze schuldeisers in totaal een bedrag van € 96.709,74 van verzoekster te vorderen hebben. In de crediteurenlijst is daarentegen een bedrag van € 103.086,04 opgenomen. Verzoekster heeft bij brief van 22 augustus 2024 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 1,58% aan de preferente schuldeisers en 0,79% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De schuldenlast was op dat moment € 103.593,04. Doordat er was uitgegaan van het verkeerde saldo inzake de vordering van [schuldeiser 6] , is de schuldenlast lager geworden en bedraagt thans € 96.276,22.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster was van 15 november 2024 tot en met 31 augustus 2024 tijdelijk ontheven van de sollicitatieplicht. Verzoekster zal op termijn een aangepast re-integratietraject ingaan. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Zeventien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. ABN AMRO, [schuldeiser 3] en [schuldeiser 6] stemmen hier niet mee in. ABN AMRO heeft een vordering van € 17.840,69 op verzoekster, welke 18,53% van de schuldenlast beloopt, en een vordering van € 1.799,84 op verzoekster, welke 1,87% van de totale schuldenlast beloopt. [schuldeiser 3] heeft een vordering van € 7.540,64, welke 7,83% van de totale schuldenlast beloopt. [schuldeiser 6] heeft een vordering van € 223,82 op verzoekster, welke 0,23% van de totale schuldenlast beloopt.
3Het verweer
ABN AMRO
In de contacten met schuldhulpverlening heeft ABN AMRO te kennen gegeven dat de aangeboden regeling niet het maximaal haalbare is. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een Participatiewet-uitkering, terwijl niet is gesteld of gebleken dat verzoekster niet fulltime zou kunnen werken. In de visie van ABN AMRO is het tevens onduidelijk om welke reden er is gekozen voor een saneringskrediet.
[schuldeiser 3]
heeft niet gereageerd op de aangeboden regeling.
[schuldeiser 6]
heeft niet gereageerd op de aangeboden regeling.
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben ABN AMRO, [schuldeiser 3] en [schuldeiser 6] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van ABN AMRO, [schuldeiser 3] en [schuldeiser 6] bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of ABN AMRO, [schuldeiser 3] en [schuldeiser 6] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van ABN AMRO, [schuldeiser 3] en [schuldeiser 6] een aandeel vormen in de totale schuldenlast van 28,46%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zeventien van de twintig schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Gelet op de tijdelijke ontheffing van de sollicitatieverplichting, het aangepaste re-integratietraject dat noodzakelijk zal zijn voor de terugkeer naar de arbeidsmarkt en de onderliggende problematiek met de zoon van verzoekster, is het naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat zij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van ABN AMRO, [schuldeiser 3] en [schuldeiser 6] , die geweigerd hebben in te stemmen.
Het verzoek om ABN AMRO, [schuldeiser 3] en [schuldeiser 6] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
ABN AMRO, [schuldeiser 3] en [schuldeiser 6] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- beveelt ABN AMRO, [schuldeiser 3] en [schuldeiser 6] om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt ABN AMRO, [schuldeiser 3] en [schuldeiser 6] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.